Tweede en derde graad - ASO - Cesuurdoelen - Wetenschappen

Cesuurdoelen

Protocolakkoord - Bijlage

Bijlage bij het protocolakkoord tussen de overheid en de inrichtende machten over de te bereiken doelstellingen in het specifieke gedeelte op het einde van de tweede graad ASO.

1. Structuren

De leerlingen kunnen

1. op verschillende schaalniveaus structuren beschrijvenen telkens situeren op een grootte-orde schaal van atoom tot heelal.
2. bestudeerde structuren met een visueel model voorstellen.
3. twee- en driedimensionale voorstellingen van bestudeerde structuren interpreteren.
4. verbanden leggen tussen structuren op verschillende schaalniveaus.
5. aantonen dat eigenschappen van structuren kunnen afhangen van het aantal, de aard en de ruimtelijke organisatie van de bouwstenen.
6. uit experimentele of andere gegevens bestudeerde structuren en stoffen volgens samenstelling, bouw of functie classificeren en uit deze classificatie eigenschappen afleiden.

2. Interacties

De leerlingen kunnen

7. voor diverse voorbeelden van natuurwetenschappelijke processen in het dagelijks leven materieomzettingen in massa en stofhoeveelheden berekenen.
8. experimenteel aantonen dat atomen naar aard behouden blijven tijdens opeenvolgende chemische reacties.
9. interacties tussen stoffen experimenteel onderzoeken en op corpusculair niveau beschrijven.
10. energieomzettingen identificeren voor diverse voorbeelden van natuurwetenschappelijke processen in het dagelijks leven.
11. de formule voor potentiële energie in het zwaarteveld afleiden en het behoud van mechanische energie in dit veld met voorbeelden kwantitatief en experimenteel aantonen.
12. de wet van behoud van energie op enkele schaalniveaus kwalitatief illustreren in processen waarbij één enrgievorm in twee andere wordt getransformeerd.
13. energieomzettingen bij beweging van materie kwalitatief beschrijven.
14. transport van materie als gevolg van een gradiënt kwalitatief beschrijven
15. energietransport op enkele schaalniveaus illustreren.

3. Systemen

De leerlingen kunnen

16. met voorbeelden toelichten hoe levende wezens uit een onderzocht biotoop aan de omgeving zijn aangepast en de plaats die ze daar innemen aangeven.
17. door terreinstudie in een biotoop/geotoop biotische, abiotische en antropogene factoren inventariseren en de gegevens verwerken en interpreteren.
18. relaties aantonen tussen biotische, abiotische en antropogene factoren binnen een ecosysteem.
19. met voorbeelden terugkoppeling en homeostase aantonenin een organisme.
20. voorbeelden geven van factoren die de stabiliteit en de successie van een ecosysteem beïnvloeden.
21. enkele materiekringlopen en energiedoorstroming in ecosystemen schematisch voorstellen.

4. Tijd

De leerlingen kunnen

22. op verschillende schaalniveaus structuren, processen en systemen in een relatief tijdsperspectief plaatsen.
23. met voorbeelden aantonen dat organismen aangepast zijn aan cyclisch weerkerende verschijnselen.

5. Genese en ontwikkeling

De leerlingen kunnen

24. de problematiek van de afbakening tussen levenloze materie en levende organismen illustreren.
25. informatie opzoeken over uitgestorven levensvormen en deze levensvormen situeren in een classificatiesysteem.

6. Natuurwetenschap en maatschappij

De leerlingen kunnen

26. informatie over wetenschappers, over belangrijke experimenten of natuurwetenschappelijke terminologie opzoeken en historisch situeren.
27. een wetenschappelijk model in een historische context plaatsen.
28. informatie uit media en literatuur toetsen aan wetenschappelijke kennis.
29. wetenschappelijke principes in technische realisatiesherkennen.
30. illustreren hoe toepassingen van wetenschappelijke kennis leiden tot veranderingen in de samenleving.

7. Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

31. onder begeleiding voor een gegeven onderzoeksprobleem onderzoeksvragen formuleren.
32. op basis van geselecteerde bronnen voor een gegeven onderzoeksvraag, op een systematische wijze informatie verzamelen en ordenen.
33. onder begeleiding een gegeven probleem met een aangereikte methode onderzoeken.
34. onder begeleiding onderzoeksresultaten verwerken, interpreteren en conclusies formuleren.
35. volgens een gegeven stramien over de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteit rapporteren.
36. onder begeleiding reflecteren over de bekomen onderzoeksresultaten en over de aangewende methode.

 

Specifieke eindtermen

1. Uitgangspunten

Wetenschappen in het specifieke gedeelte beoogt de natuurlijke nieuwsgierigheid van jongeren tegenover de hen omringende wereld te stimuleren en te ondersteunen door er een wetenschappelijke fundering aan te geven. Dit gebeurt door hen te introduceren in verschillende benaderingen van de natuurwetenschappen, namelijk:

  • natuurwetenschap als middel om toestanden en verschijnselen uit de dagelijkse ervaringswereld te verklaren. Hier gaat het om het leggen van de verbinding tussen praktische toepassingen uit het dagelijkse leven en natuurwetenschappelijke kennis;

  • natuurwetenschap als middel om op proefondervindelijke wijze gefundeerde kennis over de werkelijkheid te vinden. Het gaat dan om het ontwikkelen van een rationeel en objectief raamwerk voor het oplossen van problemen en het begrijpen van concepten die de verschillende natuurwetenschappelijke disciplines met elkaar verbinden;

  • natuurwetenschap als middel om via haar technische toepassingen de materiële leefomstandigheden te verbeteren. Leerlingen herkennen hoe natuurwetenschappelijke ontwikkelingen invloed hebben op hun persoonlijke, sociale en fysische omgeving;

  • natuurwetenschap als cultuurverschijnsel en natuurwetenschap als mensenwerk. Leerlingen hebben notie van historische, filosofische, sociale en ethische aspecten van de natuurwetenschappen. Hierdoor zien en begrijpen ze relaties met andere disciplines.

2. Inhoudelijk kader

De decretale specifieke eindtermen zijn geordend in zes onderdelen, namelijk:

  • structuren;

  • interacties, veranderingen en processen;

  • systemen;

  • tijd;

  • genese en ontwikkeling;

  • natuurwetenschap en maatschappij.

In de eerste vijf onderdelen komen volgende aspecten aan bod:

  • de verschillende verschijningsvormen, de aard en effecten van wisselwerkingen en transformaties van materie en energie;

  • het bestaan van orde in de grote verscheidenheid aan structuren en processen;

  • fundamentele entiteiten en wetmatigheden;

  • relaties tussen structuren en processen;

  • systemen en het ontstaan en verbreken van evenwicht hierin;

  • opeenvolging van structuren en processen in de tijd, cyclische processen en tijdschaal.

Deze aspecten worden op verschillende schaalniveaus bestudeerd. Een schaalniveau verwijst naar ‘de grootteorde van organisatie van de materie’. Er worden volgende schaalniveaus onderscheiden: corpusculaire structuren, stoffen, organismen, aarde en kosmos. In het totaal van de natuurwetenschappen komen alle schaalniveaus evenwichtig aan bod. Dit betekent niet dat elke hierbij betrokken eindterm op elk schaalniveau moet worden bestudeerd.

De polyvalentie van de tweede graad van de pool wetenschappen ten aanzien van natuurwetenschappen in de basisvorming moet verzekerd zijn. Het curriculum voor natuurwetenschappen in de opleidingen met de pool wetenschappen in de derde graad moet aansluiten bij de basisvorming voor natuurwetenschappen in de tweede graad.

3. Overzicht

A. Structuren

De leerlingen kunnen op verschillende schaalniveaus

  1. structuren classificeren en beschrijven op basis van samenstelling, eigenschappen en functies;

  2. structuren met behulp van een model of schema voorstellen en hiermee eigenschappen verklaren;

  3. relaties leggen tussen structuren;

  4. methoden beschrijven om structuren te onderzoeken;

  5. structuren op grond van observeerbare of experimentele gegevens identificeren en classificeren.

B. Interacties

De leerlingen kunnen op verschillende schaalniveaus

  1. processen waarbij energie wordt getransformeerd of getransporteerd beschrijven en herkennen in voorbeelden;

  2. vorming, stabiliteit en transformatie van structuren beschrijven, verklaren, voorspellen en met eenvoudige hulpmiddelen experimenteel onderzoeken;

  3. berekeningen uitvoeren bij energie- en materieomzettingen;

  4. effecten van de interactie tussen materie en elektromagnetische straling beschrijven en in voorbeelden herkennen.

De leerlingen kunnen

  1. beweging en verandering in bewegingstoestand kwalitatief beschrijven, in eenvoudige gevallen experimenteel onderzoeken en berekenen;

  2. verbanden leggen tussen processen op verschillende schaalniveaus;

  3. fundamentele wisselwerkingen verbinden met hun rol voor de structurering van de materie en met energieomzettingen.

C. Systemen

De leerlingen kunnen op verschillende schaalniveaus

  1. uitleggen hoe systemen een toestand van evenwicht bereiken en behouden;

  2. relaties tussen systemen beschrijven en onderzoeken;

  3. vanuit een begintoestand de evenwichtstoestand van een systeem en effecten van storingen kwalitatief onderzoeken en in eenvoudige gevallen berekenen;

  4. de evolutie van een open systeem kwalitatief beschrijven.

D. Tijd

De leerlingen kunnen op verschillende schaalniveaus

  1. voorbeelden geven van cyclische processen en deze cycli op een tijdschaal plaatsen;

  2. de levensduur van structuren en systemen en de snelheid van processen vergelijken en de factoren die hierop een invloed uitoefenen verklaren en in eenvoudige gevallen onderzoeken;

  3. relaties tussen cyclische processen illustreren;

  4. uitleggen hoe cyclische processen worden aangewend om de tijdsduur te bepalen;

  5. methoden beschrijven om structuren relatief en absoluut te dateren.

E. Genese en ontwikkeling

De leerlingen kunnen op verschillende schaalniveaus

  1. fasen in de evolutie van structuren en systemen beschrijven en ze op een tijdschaal ordenen;

  2. relaties leggen tussen evoluties van systemen en structuren;

  3. mechanismen beschrijven die de stabiliteit, verandering en differentiatie van structuren of systemen in de tijd verklaren.

F. Natuurwetenschap en maatschappij

De leerlingen kunnen

  1. met voorbeelden illustreren dat de evolutie van de natuurwetenschappen gekenmerkt wordt door perioden van cumulatieve groei en van revolutionaire veranderingen;

  2. natuurwetenschappelijke kennis vergelijken met andere visies op kennis;

  3. de relatie tussen natuurwetenschappelijke ontwikkelingen en technische toepassingen illustreren;

  4. effecten van natuurwetenschap op de samenleving illustreren, en omgekeerd.

G. Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

  1. zich oriënteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken;

  2. een onderzoeksopdracht met een wetenschappelijke component voorbereiden, uitvoeren en evalueren;

  3. de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten.

Inleiding Economie is een gedragswetenschap. Economie gaat over de keuzes die mensen maken. Mensen hebben behoeften. Maar de goederen en diensten die kunnen geproduceerd worden om aan die behoeften te voldoen zijn schaars én alternatief aanwendbaar. Dus moet er worden gekozen: welke doelen (i.c. behoeften) prioritair kiezen en welke middelen inzetten om er aan te voldoen? Dit afwegen van het belang van behoeften tegenover (schaarse) middelen, is een probleem dat fundamenteel tot het domein van de economie behoort.  Optimale allocatie

Er zijn momenteel specifieke eindtermen ontwikkeld voor het specifieke gedeelte van opleidingen (studierichtingen) uit het algemeen secundair onderwijs (ASO). De specifieke eindtermen topsport zijn ook geldig voor de opleidingen met topsport in het technisch secundair onderwijs (TSO). Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten.

De specifieke eindtermen werden ontwikkeld op basis van studieprofielen. Een studieprofiel concretiseert de algemene kenmerken van een wetenschapsdomein.

Specifieke eindtermen zijn geordend per pool. Elke pool is rechtstreeks verbonden met een bepaald studieprofiel. De pool bevat de einddoelen (specifieke eindtermen) die voor dit wetenschapsdomein haalbaar zijn in de tweede en/of derde graad. Het specifiek gedeelte van een opleiding (studierichting) bestaat uit één of twee polen.

Omdat specifieke eindtermen altijd voor het einde van de derde graad worden geformuleerd zijn er tussen de onderwijsoverheid en de onderwijskoepels afspraken gemaakt over de doelen die op het einde van de tweede graad voor het ASO moeten worden bereikt, de zogenaamde cesuurdoelen.

Veelgestelde vragen

Meer informatie over specifieke eindtermen vindt u in de regelgeving.

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 16.09.2005 en in de codex secundair onderwijs.