Secundair onderwijs - Eerste graad - B-stroom - Natuurwetenschappen

Vakgebonden ontwikkelingsdoelen

 

Algemeen

  De leerlingen kunnen
1 gericht waarnemen met al hun zintuigen en de waarnemingen weergeven;
2 in betekenisvolle situaties, metingen uitvoeren en daarvoor geschikte instrumenten kiezen;
3 onder begeleiding een natuurlijk en waarneembaar verschijnsel via een eenvoudig onderzoekje toetsen aan een veronderstelling;
4 eenvoudige tabellen, grafieken en diagrammen in verband met natuurwetenschappelijke verschijnselen gebruiken.
 

Levende natuur

  De leerlingen kunnen
5 in een beperkte verzameling van organismen gelijkenissen en verschillen ontdekken en weergeven;
6 bij goed gekozen voorbeelden van organismen ontdekken en weergeven hoe deze aangepast zijn aan hun omgeving;
7 de wet van eten en gegeten worden illustreren aan de hand van minstens drie met elkaar verbonden voedselketens;
8 in concrete voorbeelden aantonen hoe de mens natuur en milieu beïnvloedt;
9 belangrijke organen die betrokken zijn bij ademhaling, spijsvertering, voortplanting, transport en uitscheiding in het menselijk lichaam, lokaliseren;
10 de functie van de belangrijke organen die betrokken zijn bij ademhaling, spijsvertering, voortplanting, transport en uitscheiding in het menselijk lichaam op eenvoudige wijze weergeven;
11 weergeven hoe de voortplanting bij mensen verloopt en middelen aangeven om zwangerschap te voorkomen;
12 middelen aangeven om seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen.
 

Levende en niet-levende natuur

  De leerlingen kunnen
13 waarneembare stofomzettingen met concrete voorbeelden uit de levende en niet-levende natuur illustreren;
14 wetenschappelijke kennis verbinden met dagelijkse waarnemingen, concrete toepassingen of maatschappelijke evoluties.
 

Niet-levende natuur

  De leerlingen kunnen
15 waarneembare fysische verschijnselen, waaronder uitzetting en verandering van aggregatietoestand in verband brengen met temperatuurverandering;
16 energievormen uit het dagelijkse leven verbinden met energiebronnen;
17 energiebesparende maatregelen verbinden met een duurzame levensstijl.

Uitgangspunten

1. Visie op het vak

De ontwikkelingsdoelen voor natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk zijn van toepassing ongeacht een geïntegreerde of vakmatige aanpak.

De ontwikkelingsdoelen voor natuurwetenschappen laten toe dat leerlingen kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes verwerven ten aanzien van de levende natuur en de niet-levende natuur.

Wat de eerste graad betreft mag men stellen dat de leerlingen over het algemeen gevoelig zijn voor wat in hun omgeving gebeurt. Daarenboven worden ze sterk bewust van hun eigen lichaam en maken ze een sprong in het zelfstandig worden.

De ontwikkelingsdoelen voor natuurwetenschappen willen leerlingen kennis en inzichten meegeven om dagelijkse situaties te begrijpen, vaardigheden bijbrengen om op een adequate manier te kunnen reageren op deze situaties en attitudes bijbrengen voor een verantwoord, bewust en verantwoordelijk (re)ageren.

De leerlingen dienen niet overladen te worden met strikt wetenschappelijke benaderingen en verklaringen. Van veel groter belang is dat de leerlingen vanuit hun eigen leefwereld via ontdekkende en onderzoekende activiteiten zelf basisinzichten ontwikkelen of verfijnen over verschijnselen van de natuur. Daarom moeten er situaties gecreëerd worden waarin de leerlingen kansen krijgen om zelf te ontdekken, te ervaren, te exploreren en al spelend te onderzoeken.

2. Funderende doelstellingen

  1. Eenvoudige verschijnselen uit de leefomgeving waarnemen, benoemen, ordenen, ontleden en verklaren.
  2. Inzicht hebben in biologische verbanden en de eigen biologische ontwikkeling begrijpen.
  3. Verantwoordelijkheidszin hebben tegenover levende wezens, het leefmilieu, de eigen gezondheid en die van anderen.
  4. Inzien dat verantwoord handelen van het individu als lid van de maatschappij noodzakelijk is voor het behoud van het milieu en voor het behoud van de gezondheid.
  5. De verworven kennis en inzichten toepassen in het dagelijks leven.

3. Selectiecriteria en structurering van de ontwikkelingsdoelen

Voor de selectie van de ontwikkelingsdoelen werd vooral het accent gelegd op:

  • het bijbrengen van belangrijke begrippen, concepten en vaardigheden uit het vakgebied natuurwetenschappen;
  • het aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen of de individuele relevantie;
  • de maatschappelijke relevantie.

De ontwikkelingsdoelen natuurwetenschappen zijn samengebracht in twee deelgebieden: de levende natuur en de niet-levende natuur.

3.1 Levende natuur

In het deelgebied "levende natuur" worden een aantal biologische begrippen aangebracht vanuit drie aspecten met name: de mens en zijn gezondheid, planten en dieren en de mens en zijn omgeving.

In het aspect de mens en zijn gezondheid leren de leerlingen heel wat over hun eigen lichaam: groei en ontwikkeling, voortplanting en seksualiteit, instandhouding van het lichaam en het biologisch functioneren ervan. Gezondheid slaat op het normaal of dus het goed functioneren van het menselijk lichaam. De mogelijke gevaren voor de gezondheid en het voorkomen van het slecht functioneren van het lichaam komen aan bod binnen de ontwikkelingsdoelen voor gezondheidseducatie.

De ontwikkelingsdoelen uit het aspect planten en dieren laat de leerlingen concreet kennismaken met planten en dieren uit hun eigen omgeving. Leerlingen bekijken en onderzoeken planten en dieren wat betreft bouw en functie en wat betreft hun aanpassingen aan hun leefomgeving. Ze bestuderen er ook afhankelijkheidsrelaties tussen organismen.

Het derde aspect behandelt het menselijk handelen en de relatie tussen de mens, de natuur en het milieu. Hierdoor zijn er aanknopingspunten met milieu-educatie mogelijk.

3.2 Niet-levende natuur

Het deelgebied niet-levende natuur behandelt fysische verschijnselen met betrekking tot warmte en water. Deze thema's laten toe om op een bevattelijke maar ook boeiende manier een aantal begrippen uit de natuurwetenschappen aan te brengen. Leerlingen kunnen hier namelijk heel wat eenvoudige proeven uitvoeren die niet alleen de motivatie verhogen maar ook de mogelijkheid bieden om een aantal algemene vaardigheden te oefenen.

Het is mogelijk ontwikkelingsdoelen over de niet-levende natuur te koppelen aan ontwikkelingsdoelen over de levende natuur.

4 Coördinatie

4.1 Verticale samenhang

Bij het bepalen van de ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad werd rekening gehouden met de voorkennis uit de lagere school. In het lager onderwijs is bij kinderen via wereldoriëntatie het besef gegroeid dat de omgeving iets is om van te leren, om over te leren, om op te reageren en om van te genieten. Het hoofddoel van wereldoriëntatie is om via doelgerichte ervaringen kinderen kennis en inzicht bij te brengen over hun omgeving en hen vaardigheden bij te brengen waardoor ze in staat zijn om met hun omgeving in interactie te treden en om ze te waarderen. Deze hoofddoelstelling wordt in het secundair onderwijs overgenomen en verder uitgewerkt.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen belangrijke organen die betrokken zijn bij de levensprocessen bij de mens (geboorte, groei, voeding, ademhaling en transport van stoffen) lokaliseren, benoemen en hun functie op een eenvoudige wijze verwoorden. (Lager onderwijs: wereldoriëntatie, eindterm 1.6.)

    De leerlingen kunnen belangrijke organen van de mens (voor voeding, ademhaling, transport, uitscheiding, voortplanting) lokaliseren, benoemen en op een eenvoudige manier uitleggen welk verband er bestaat tussen de bouw en de functie ervan. (Eerste graad: natuurwetenschappen, ontwikkelingsdoel 12.)
  1. De leerlingen kunnen lichamelijke veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdgenoten waarnemen, herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling. (Lager onderwijs: wereldoriëntatie, eindterm 1.8.)

    De leerlingen kunnen de veranderingen tijdens de puberteit op lichamelijk en sociaal-emotioneel vlak, zowel bij jongens als meisjes, beschrijven. (Eerste graad: natuurwetenschappen, ontwikkelingsdoel 17.)

4.2 Horizontale samenhang

Er is vooral een grote relatie tussen natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en de vakoverschrijdende thema's milieu-educatie en gezondheidseducatie. Het ligt dan ook voor de hand dat binnen natuurwetenschappen de nodige fundamenten worden gelegd voor het bereiken van doelstellingen binnen milieu- en gezondheidseducatie. De realisatie van alle geformuleerde doelstellingen voor beide vakoverschrijdende thema's zal een zaak worden voor de hele school. Zo is het duidelijk dat de school voor de leerlingen als voorbeeld moet worden gesteld inzake milieu- en gezondheidsaspecten. Meer dan door theoretische lessen kan men via dit voorbeeld werken aan de beoogde mentaliteitsverandering.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen een goede sta-, zit-, en tilhouding aannemen en geven enkele voorbeelden van mogelijke klachten die optreden bij verkeerde houdingen en bewegingen. (Eerste graad: gezondheidseducatie, ontwikkelingsdoel 14.)

    De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden het effect van bepaalde houdingen en bewegingen op de goede ontwikkeling van het geraamte en het spierstelsel illustreren. (Eerste graad: natuurwetenschappen, ontwikkelingsdoel 14.)

  1. De leerlingen kunnen het belang aantonen van lichaamshygiëne voor zichzelf en voor hun omgeving. (Eerste graad: gezondheidseducatie, ontwikkelingsdoel 1.)

    De leerlingen kunnen de bouw en de werking van de huid beschrijven rekening houdende met een goede hygiëne van de huid. (Eerste graad: natuurwetenschappen, ontwikkelingsdoel 15.)

Basisvorming

Eerste leerjaar A-B

In het eerste leerjaar A en in het eerste leerjaar B van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men telkens basisvorming en een keuzegedeelte.

Tweede leerjaar A

In het tweede leerjaar A van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de basisopties (en soms nog een keuzegedeelte).

Beroepsvoorbereidend leerjaar

In het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de beroepenvelden (en soms nog een keuzegedeelte).

De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad.

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 20.06.1996 en in de codex secundair onderwijs.