Secundair onderwijs - Eerste graad - B-stroom - Maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde

Vakgebonden ontwikkelingsdoelen

 

1. Dimensie maatschappij

  De leerlingen

1

kennen hun rechten en plichten in de school- en leefomgeving.
2 leren hun eigen leefomgeving onbevooroordeeld observeren.
3 leren respectvol omgaan met verschillende groepen in onze multiculturele samenleving.
4 leren opkomen voor de eerbiediging van de rechten van de mens en het kind en de sociale rechtvaardigheid.
5 leren kritisch zijn tegenover zichzelf, de medeleerlingen en het maatschappelijk gebeuren.
6 leren besef hebben van verschillende rolverwachtingen jongens - meisjes en zich daar weerbaar tegenover op te stellen.
7 leren rekening houden met andere opvattingen en hoeden zich voor vooroordelen.
 

2. Dimensie tijd

  De leerlingen
8 kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.
9 kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.
10 kunnen een kalender hanteren om gebeurtenissen uit hun eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.
11 kunnen de begrippen tijdstip, tijdsduur, vroeger, nu, later, dag, week, maand, jaar, generatie en eeuw in verband met tijd hanteren.
12 kunnen belangrijke figuren of gebeurtenissen, die in de lessen aan bod komen, op een tijdsband situeren.
13 kunnen eenvoudige bronnen en levende getuigen raadplegen.
14 illustreren verschillen in tijdsbesteding tussen vroeger en nu, hier en elders.
15 kunnen aan de hand van eenvoudig bronnenmateriaal het dagelijks leven van mensen in een andere tijd vergelijken met hun eigen leven.
16 ontwikkelen kritische zin bij het omgaan met historische informatie.
 

3. Dimensie ruimte

  De leerlingen kunnen
17 de begrippen wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, regio, land, continent en zee in verband met ruimte hanteren.
18 aan de hand van concrete inrichtingselementen een landelijk, stedelijk, toeristisch en industrieel landschap van elkaar onderscheiden.
19 op een kaart van Vlaanderen of België en op een kaart van andere bestudeerde gebieden, belangrijke plaatsen situeren.
20 zich aan de hand van een plattegrond of een kaart oriënteren.
21 informatie halen uit wegwijzers, pictogrammen en informatieborden.
 

4. Thema "de school en haar omgeving"

  De leerlingen
22 herkennen door gericht waarnemen of na onderzoek een aantal landschappen in de eigen omgeving.
23 kunnen de verschillende nationaliteiten binnen de school of leefomgeving bepalen, in grafiek zetten en op de wereldkaart plaatsen.
24 kunnen het stratenplan van de gemeente gebruiken.
25 kunnen de gemeente situeren in een ruimere omgeving.
26 kunnen de gevaarlijkste punten in de buurt van de school aanduiden en weten hoe ze hun gedrag moeten aanpassen aan die gevaarsituaties.
 

5. Thema "de woning"

  De leerlingen kunnen
27 verschillende woonvormen in tijd en ruimte situeren.
28 het wonen in functie van het klimaat, het bouwmateriaal, het landschap, de samenlevingsvorm, de levensstijl en de beroepsactiviteit verklaren.
 

6. Thema "de stad in verleden en heden"

  De leerlingen
29 kunnen factoren opnoemen die het ontstaan van een stad verklaren.
30 herkennen en verklaren in een stad sporen uit het verleden.
31 hebben inzicht in de functies van een stad en kunnen de voor- en de nadelen van het stadsleven verduidelijken.
 

7. Thema "de vrijetijdsbesteding"

  De leerlingen
32 kennen verschillende vormen van vrijetijdsbesteding aansluitend bij hun eigen leefwereld.
33 kennen de infrastructuur en mogelijkheden in verband met vrijetijdsbesteding in hun woonomgeving.
34 kunnen met geld omgaan.
 

8. Thema "actualiteit"

  De leerlingen kunnen
35 informatie verzamelen over een actuele gebeurtenis.
36 een actuele gebeurtenis situeren in tijd en ruimte.
37 hun eigen mening over een actuele gebeurtenis verduidelijken.

Uitgangspunten

1. Visie op het vak

De ontwikkelingsdoelen voor maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde zijn van toepassing ongeacht de keuze voor een geïntegreerde of vakmatige aanpak.

De inrichtende macht beschikt over de volledige vrijheid om de ontwikkelingsdoelen te realiseren binnen die welbepaalde vakken of binnen een meer geïntegreerde aanpak.

De leerlingen verwerven kennis en inzicht in hun omgeving en hun relatie tot die omgeving. Zij verwerven ook vaardigheden om in interactie te treden met of in te grijpen in de werkelijkheid waarin ze leven. Met andere woorden ze leren zinvol functioneren in hun omgeving. Ook worden zij gestimuleerd tot een aantal attitudes of houdingen ten aanzien van hun omgeving. Het begrip omgeving moet hier wel in een ruime betekenis worden bekeken. Het verwijst zowel naar de fysische als de sociale en culturele omgeving van de leerlingen.

2. Funderende doelstellingen

  1. Inzicht verwerven in maatschappelijke verschijnselen en mechanismen.
  2. Vaardigheden en attitudes verwerven om in de eigen omgeving zinvol te functioneren.
  3. Zijn dagelijkse tijd ordenen, plannen en juist inschatten.
  4. Historisch tijdsbewustzijn ontwikkelen.
  5. Zich oriënteren in de ruimte.
  6. De relatie tussen de mens en de ruimte die men benut observeren, ontleden en verklaren.

3. Selectiecriteria en structurering van de ontwikkelingsdoelen

De legitimering voor de keuze van inhouden en competenties kan in de eerste plaats gevonden worden bij de leerling zelf. Leerlingen hebben zelf vragen, noden en interesses. Op ontwikkelingspsychologische basis kunnen een aantal behoeften aangegeven worden die de vragen en interesses van leerlingen op een bepaalde leeftijd verklaren. Met andere woorden, rekening houdend met deze inzichten kunnen een aantal keuzes worden verantwoord.

De omgeving zelf stelt ook haar eisen. De leerlingen vervullen een aantal rollen in hun omgeving. Ook vanuit de rollen die ze later als volwassenen te vervullen hebben, kunnen een aantal indicaties worden gegeven. Hieruit kunnen de nodige kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes gedistilleerd worden.

Tenslotte werd er rekening gehouden met het feit dat leerlingen leven in een multiculturele en in een pluralistische samenleving.

3.1 Dimensies

De ontwikkelingsdoelen voor maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde zijn opgebouwd rond de dimensies maatschappij, tijd en ruimte. De ontwikkelingsdoelen voor deze dimensies zijn de centrale pijlers, die als dusdanig ook binnen de daarna uitgewerkte thema's gerealiseerd worden.

3.1.1 Maatschappij

In een aantal ruimere maatschappelijke verschijnselen en mechanismen vervullen de leerlingen nog geen actieve rol. Ze worden er echter wel dagelijks mee geconfronteerd door wat ze opvangen via hun ouders, kennissen, de media, enz. Het accent ligt op het verwerven van correcte inzichten, uiteraard op een niveau dat aangepast is aan de specifieke mogelijkheden van deze leerlingen.

Er zijn echter verschijnselen en mechanismen waar ze wel rechtstreeks mee te maken hebben en waar bijgevolg ook het ontwikkelen van een aantal vaardigheden en attitudes moet worden nagestreefd.

Bij de inhoudelijke afbakening richt men zich op aspecten uit hun eigen leefomgeving.

3.1.2 Tijd

Binnen de dimensie tijd verwerven leerlingen kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van oriëntatie in de dagelijkse en historische tijd.

Wat de dagelijkse tijd betreft is het vooral van belang dat de leerlingen greep krijgen op de eigen tijd. Dit is voor deze leerlingen een grote uitdaging. Ze leven immers sterk momentgebonden en met een beperkte flexibiliteit en een beperkt concentratievermogen. Hierdoor wordt ook hun leerproces gehinderd. Het niet kunnen hanteren van de dagelijkse tijd is onder meer één van de belangrijkste oorzaken van een minder efficiënte studiemethode.

Wat het historisch bewustzijn betreft is het van belang dat de leerlingen tot het inzicht komen dat het leven van mensen - ook hun eigen leven - in belangrijke mate beïnvloed wordt door de tijd waarin men leeft. Het is eveneens van belang dat de leerlingen hun eigen bestaan leren zien als historisch bepaald en bepalend: de wereld van nu is bepaald door de wereld van gisteren en is bepalend voor de wereld van morgen.

3.1.3 Ruimte

Binnen de dimensie ruimte verwerven leerlingen kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van de oriëntatie in de ruimte.

Het vergroten van het ruimtelijk bewustzijn is een belangrijke doelstelling. De leerlingen moeten zich kunnen oriënteren in de ruimte, vooral in de eigen omgeving. Hierin neemt het ontwikkelen van kaartvaardigheid een belangrijke plaats in. Niet zozeer vanuit het perspectief van het verwerven van topografische kennis maar vooral vanuit sociale redzaamheidsoverwegingen.

3.2 Thema's

Naast de ontwikkelingsdoelen voor de drie dimensies, zijn er ook ontwikkelingsdoelen geformuleerd rond een aantal thema's. Voor de selectie van deze thema's werd rekening gehouden met de specificiteit van de leerlingen en met de leefomgeving waarin zij in eerste instantie moeten kunnen functioneren.

De ontwikkelingsdoelen van de drie bovenvermelde dimensies moeten in grote mate gerealiseerd worden in de concrete thema's. Voor de eerste graad werden er vijf opgenomen: de woning, de stad, de vrijetijdsbesteding, de school en haar omgeving en de actualiteit.

Het kiezen voor een ordening van ontwikkelingsdoelen binnen bepaalde thema's houdt in geen geval de verplichting in om thematisch te werken. De wijze waarop de ontwikkelingsdoelen worden geformuleerd en het ordeningsprincipe dat daarbij wordt gehanteerd, impliceren immers in geen geval een verplichting voor de wijze waarop men de ontwikkelingsdoelen moet nastreven.

4. Coördinatie

4.1 Verticale samenhang

De ontwikkelingsdoelen voor maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde sluiten nauw aan bij en bouwen verder op de eindtermen die in het leergebied wereldoriëntatie van het lager onderwijs werden geformuleerd. De dimensies maatschappij, tijd en ruimte vormen de verbindingspijlers tussen het lager onderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs.

In sommige gevallen zijn de ontwikkelingsdoelen zelfs identiek aan de eindtermen. De reden hiervoor is dat de eindtermen van het lager onderwijs niet altijd als bereikt kunnen beschouwd worden. Het is evident dat deze ontwikkelingsdoelen in de eerste graad weliswaar in een andere context ingekleurd worden, aangepast aan de leeftijd van de leerlingen en ingevuld volgens de opgenomen thema's.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen illustreren en respecteren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten. (Lager onderwijs: wereldoriëntatie, eindterm 4.12.)

    De leerlingen leren respectvol omgaan met verschillende groepen in onze multiculturele samenleving. (Eerste graad: maatschappelijke vorming, ontwikkelingsdoel 3.)
  1. De leerlingen kunnen aan de hand van eenvoudig, aan hun niveau aangepast bronnenmateriaal, aspecten van het leven van mensen in een andere tijd reconstrueren en overeenkomsten en verschillen met het eigen leven aangeven. (Lager onderwijs: wereldoriëntatie, eindterm 5.17.)

De leerlingen kunnen aan de hand van eenvoudig bronnenmateriaal het dagelijks leven van mensen in een andere tijd vergelijken met hun eigen leven. (Eerste graad: maatschappelijke vorming, ontwikkelingsdoel 15.)

4.2 Horizontale samenhang

Door de opsplitsing van de leerinhouden in verschillende vakken verliest de leerling vaak de kijk op de realiteit in haar geheel. Tevens blijkt dat kennis opgedaan binnen een bepaald vak niet zomaar getransfereerd wordt naar andere vakken. Kennis en inzicht verwerven in deze omgeving, en vaardigheden en attitudes ontwikkelen om erin te functioneren houdt in dat de leerlingen deze werkelijkheid dan ook als een geheel moeten ervaren en niet als gefragmenteerde delen. Een geïntegreerde benadering is vooral voor deze leerlingen verhelderend. Daarmee is dan de relatie met de ontwikkelingsdoelen uit de andere vakgebieden aangegeven.

De dimensies, het aantal thema's en dus ook het aantal ontwikkelingsdoelen is bewust beperkt gehouden. In de eerste plaats omdat binnen de cluster maatschappelijke vorming of aardrijkskunde en geschiedenis heel wat ontwikkelingsdoelen uit leren leren en sociale vaardigheden kunnen nagestreefd worden. In tweede instantie omdat heel wat ontwikkelingsdoelen van opvoeden tot burgerzin en milieu-educatie ook in het kader van deze thema's kunnen gerealiseerd worden.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen aan de hand van het schoolreglement hun rechten en plichten concreet illustreren. (Eerste graad: opvoeden tot burgerzin, ontwikkelingsdoel 1.)

    De leerlingen kennen hun rechten en plichten in de school- en leefomgeving. (Eerste graad: maatschappelijke vorming, ontwikkelingsdoel 1.)
  1. De leerlingen kunnen uit aangeboden informatie, leef- en omgangsgewoonten binnen gezinnen of culturen weergeven en hun eigen gedrag daar tegenover verwoorden en bespreekbaar stellen. (Eerste graad: sociale vaardigheden, ontwikkelingsdoel 16.)

    De leerlingen leren rekening houden met andere opvattingen en hoeden zich voor vooroordelen. (Eerste graad: maatschappelijke vorming, ontwikkelingsdoel 7.)

Basisvorming

Eerste leerjaar A-B

In het eerste leerjaar A en in het eerste leerjaar B van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men telkens basisvorming en een keuzegedeelte.

Tweede leerjaar A

In het tweede leerjaar A van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de basisopties (en soms nog een keuzegedeelte).

Beroepsvoorbereidend leerjaar

In het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de beroepenvelden (en soms nog een keuzegedeelte).

De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad.

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 20.06.1996 en in de codex secundair onderwijs.