Secundair onderwijs - Eerste graad - A-stroom - Natuurwetenschappen

Vakgebonden eindtermen

  De leerlingen kunnen
 

Systemen

1 illustreren dat er in een organisme een samenhang is tussen verschillende organisatieniveaus (cel, weefsel, orgaan, stelsel, organismen);
2 bij de mens de bouw, de werking en de onderlinge samenhang van het spijsverteringsstelsel, het ademhalingsstelsel, het bloed, de bloedsomloop en het uitscheidingsstelsel beschrijven;
3 bij een bloemplant de functies van de wortel, de stengel, het blad en de bloem aangeven;
4 de cel als bouwsteen van een organisme herkennen en haar structuur op lichtmicroscopisch niveau herkennen;
5 bij de mens de delen van het voortplantingsstelsel benoemen, beschrijven hoe de voortplanting verloopt, manieren aangeven om de voortplanting te regelen en om seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen;
6 met concrete voorbeelden aangeven dat organismen op verschillende manieren aangepast zijn aan hun omgeving;
7 in een concreet voorbeeld van een biotoop aantonen dat organismen een levensgemeenschap vormen waarin voedselrelaties voorkomen;
8 in concrete voorbeelden aantonen dat de omgeving het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd;
9 in een concreet voorbeeld aantonen dat de mens natuur en milieu beïnvloedt en dat hierdoor ecologische evenwichten kunnen gewijzigd worden;
 

Interactie

10  in concrete voorbeelden aantonen dat er verschillende soorten krachten kunnen voorkomen tussen voorwerpen en dat een kracht de vorm of de snelheid van een voorwerp kan veranderen;
11  waarneembare stofomzettingen met concrete voorbeelden uit de niet levende natuur illustreren;
12  het belang van stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het menselijk lichaam;
13 uit waarnemingen afleiden dat in planten stoffen gevormd worden onder invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de lucht;
14 waarneembare fysische veranderingen van een stof in verband brengen met temperatuursveranderingen;
15 zichtbare en onzichtbare straling in verband brengen met verschijnselen en toepassingen uit het dagelijks leven;
16 warmtetransport (geleiding, convectie, straling) met concrete voorbeelden illustreren;
 

Materie

17 de massa en het volume van materie bepalen;
18 volgende begrippen aan de hand van het deeltjesmodel hanteren: atoom, molecule, zuivere stof, mengsel, temperatuur, aggregatietoestand en faseovergangen;
 

Energie

19  in concrete voorbeelden uit het dagelijks leven aantonen dat energie in verschillende vormen kan voorkomen en kan omgezet worden in een andere energievorm;
 

Wetenschappelijke vaardigheden

20  onder begeleiding, een natuurwetenschappelijk probleem herleiden tot een onder­zoeksvraag, en een hypothese of verwachting over deze vraag formuleren;
21 onder begeleiding, bij een onderzoeksvraag gegevens verzamelen en volgens een voorgeschreven werkwijze een experiment, een meting of een terreinwaarneming uitvoeren;
22  onder begeleiding, bij een eenvoudig onderzoek, de essentiële stappen van de na­tuurwetenschappelijke methode onderscheiden;
23 onder begeleiding, verzamelde en beschikbare data hanteren, om te classificeren of om te determineren of om een besluit te formuleren;
24 onder begeleiding resultaten uit een experiment, een meting of een terreinstudie weer­geven. Dit kan gebeuren in woorden, in tabel of grafiek, door aan te duiden op een figuur of door te schetsen. De leerlingen gebruiken daarbij de correcte namen en symbolen;
25 van de grootheden massa, lengte, oppervlakte, volume, temperatuur, tijd, druk, snelheid, kracht en energie de eenheden en hun symbolen in contexten en opdrachten toepassen;
 

Wetenschap en samenleving

26 gehanteerde wetenschappelijke concepten verbinden met dagelijkse waarnemingen, concrete toepassingen of maatschappelijke evoluties;
27  het belang van biodiversiteit, de schaarste aan grondstoffen en aan fossiele energiebronnen verbinden met een duurzame levensstijl.
 
* Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een asterisk (*) aangeduid.

Uitgangspunten

Situering

Het uitgangspunt voor eindtermen en ontwikkelingsdoelen van de basisvorming is dat zij de lerende voorbereiden op kritisch-creatief functioneren in de samenleving en op de uitbouw van een persoonlijk leven.
Sterk geïnspireerd door de Europese aanbeveling[1] over sleutelcompetenties voor levenslang leren, werd nagedacht over welke capaciteiten elke burger in Vlaanderen moet beschikken om optimaal te kunnen participeren in de samenleving en om een persoonlijk leven uit te bouwen.

Natuurwetenschappen zijn relevant voor het persoonlijke leven (gezondheid, comfort, …) en voor de maatschappelijke keuzes (bijvoorbeeld over duurzaamheid) waarmee iedereen wordt geconfronteerd.
Een maatschappelijk debat moet duidelijk maken welke natuurwetenschappelijke kennis, inzichten, toepassingen, houdingen,… belangrijk zijn voor de basisvorming van jongeren. Deze keuzen zijn tijdsgebonden en moeten daarom regelmatig in vraag worden gesteld en eventueel worden geactualiseerd.

In mei 2005 organiseerde de Vlaamse overheid bij leerlingen op het einde van het basisonderwijs een peiling naar de kennis van eindtermen natuur.
Vervolgens in juni 2006 organiseerde de Vlaamse overheid bij leerlingen op het einde van de 1ste graad A-stroom van het secundair onderwijs een peiling biologie. Op basis van deze en andere onderzoeksresultaten werden twee conferenties georganiseerd voor alle betrokkenen. Daarna heeft een team van externe deskundigen aanbevelingen geformuleerd voor alle betrokkenen. Deze aanbevelingen hadden onder meer betrekking op het curriculum. Bij de actualisering van de eindtermen werd met de resultaten van de conferenties en de aanbevelingen rekening gehouden.

In de eindtermen van het basisonderwijs onderscheidt men binnen het leergebied wereldoriëntatie het domein natuur. Binnen dit domein vindt men onder andere de rubrieken levende en niet-levende natuur. De rubriek levende natuur bevat hoofdzakelijk eindtermen en ontwikkelingsdoelen die traditioneel tot de discipline biologie worden gerekend. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen binnen de rubriek niet-levende natuur zijn hoofdzakelijk van natuurkundige aard.
De eindtermen natuurwetenschappen van de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs van 1997 bevatten enkel eindtermen over levende natuur (biologie). Voor de B-stroom waren er reeds ontwikkelingsdoelen over niet-levende natuur geformuleerd.

Tijdens de conferentie na de peiling biologie op 24 oktober 2007 sprak een grote groep deelnemers zich positief uit om de eindtermen natuurwetenschappen van de eerste graad van het secundair onderwijs (A-stroom) uit te breiden met leerinhouden uit niet-levende natuur. Het gaat dan zowel om leerinhouden die ondersteuning bieden voor de eindtermen biologie als voor inhouden die relevant worden geacht vanuit het perspectief van ‘wetenschappelijke geletterdheid’.
Met deze vraag is bij de ontwikkeling van de nieuwe eindtermen rekening gehouden.

Daarom werden naast elementen uit de levende natuur ook aspecten van de niet-levende natuur opgenomen in de eindtermen van de eerste graad A-stroom van het secundair onderwijs. De redenen hiervoor zijn:

  • leerlingen ervaren de fysische realiteit als één geheel;
  • de eindtermen over niet levende natuur ondersteunen de eindtermen van levende natuur, hierdoor wordt de samenhang in de natuur benadrukt;
  • in het basisonderwijs en in de B-stroom zijn er eindtermen en ontwikkelingsdoelen over niet-levende natuur;
  • de sleutelcompetenties van de Europese Unie benadrukken een ruime wetenschappelijke (basis)vorming;
  • in het (verplichte) curriculum van de meeste van de ons omringende landen treft men de verschillende disciplines aan in de basisvorming;
  • als de leerlingen kennis hebben gemaakt met de verschillende disciplines van de (natuur)wetenschappen, kunnen zij een meer geïnformeerde keuze maken voor een studierichting in de tweede graad.

Op basis van de resultaten van de conferenties en de aanbevelingen van de externe deskundigen is de ontwikkelcommissie tegemoet gekomen aan de vraag om uitdrukkelijk ook een aantal eindtermen en ontwikkelingsdoelen over wetenschappelijke vaardigheden op te nemen.

1. Visie op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor natuur en natuurwetenschappen

Vermeersch[2] deelt de natuurwetenschappen in bij de ervaringswetenschappen[3]. In tegenstelling tot de formele wetenschappen waartoe wiskunde, informatica en logica worden gerekend, bestuderen de natuurwetenschappen materie en energie in ruimte en tijd (DVO)[4].
Binnen de natuurwetenschappen onderscheidt men traditioneel de disciplines: aardwetenschappen, biologie, chemie, kosmologie en natuurkunde.
Als empirische wetenschap maken de natuurwetenschappen gebruik van de proefondervindelijke methode om de (materiële) omgeving en de samenhangen in de materiële werkelijkheid te begrijpen. Deze methode doet een beroep op observaties en/of experimenten die de gevonden antwoorden op vragen moeten bevestigen of falsifiëren.

Wetenschappelijke geletterdheid

In haar voorstel van ‘Aanbeveling inzake kerncompetenties voor levenslang leren’, definieert het Europees Parlement en de Raad[5] natuurwetenschappelijke competentie als ‘het vermogen en de bereidheid om de kennis en methoden die gebruikt worden om de natuurlijke wereld te verklaren, te gebruiken om problemen te identificeren en gefundeerde conclusies te trekken’.
Volgens dezelfde Aanbeveling omvat de essentiële kennis van de exacte wetenschappen: “de grondbeginselen van de natuurlijke wereld, fundamentele wetenschappelijke begrippen, beginselen en methoden [...] Men dient inzicht te hebben in de vorderingen, beperkingen en risico’s van wetenschappelijke theorieën […] voor de samenleving in het algemeen (met betrekking tot besluitvorming, waarden, ethische vraagstukken, cultuur, enz.) en met specifieke terreinen van de wetenschap, zoals de geneeskunde, en tevens inzicht in de invloed van wetenschap [… ] op de natuurlijke wereld.
Tot de vaardigheden behoort het vermogen om wetenschappelijke gegevens te gebruiken en te hanteren om een doel te bereiken of tot gefundeerde besluiten te komen. Men moet ook in staat zijn de wezenlijke kenmerken van wetenschappelijk onderzoek te herkennen en de conclusies en daaraan ten grondslag liggende redenering onder woorden te brengen.
De natuurwetenschappelijke competentie omvat een kritische en nieuwsgierige attitude, belangstelling voor ethische vraagstukken en respect voor veiligheid en duurzaamheid -speciaal met betrekking tot de wetenschappelijke [en technologische] vooruitgang in relatie tot de eigen persoon, het gezin, de gemeenschap en de wereld”.

Bij de ontwikkeling van het referentiekader om de eindtermen en ontwikkelingsdoelen te actualiseren werd in ruime mate rekening gehouden met deze Aanbeveling.

In eerste instantie werd een denkkader ontwikkeld voor het onderwijs in natuurwetenschappen voor de basisvorming. Dit kader is opgebouwd rond de kernbegrippen materie, energie, interactie tussen materie en energie en systemen. Voor elk van deze begrippen werden inhouden bepaald die aan bod kunnen komen in de A-stroom van de eerste graad. Vervolgens werd nagegaan in welke mate voor dezelfde inhouden eindtermen/ontwikkelingsdoelen kunnen worden geformuleerd voor het basisonderwijs en voor de B-stroom. Naast het criterium van de haalbaarheid voor de betrokken doelgroep werden hierbij ook de selectiecriteria gehanteerd die bij de A-stroom werden gebruikt (zie verder: 3). Dezelfde procedure geldt voor de selectie van de wetenschappelijke vaardigheden voor het basisonderwijs en de B-stroom.

Voor de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs werden leerinhouden geselecteerd op basis van de volgende kernbegrippen die zowel voor de levende als voor de niet-levende natuur van toepassing zijn:

  • materie, waarbij de nadruk ligt op de massa en het volume van de materie en het onderscheid tussen mengsels en zuivere stoffen; het deeltjesmodel moet dienen om eenvoudige eigenschappen van materie beter te doen begrijpen.
  • energie, met het onderscheid tussen directe en opgeslagen vormen van energie en omzettingen tussen vormen van energie.
  • interacties tussen deze twee, waarbij interactie tussen materie en materie beperkt is tot statische en dynamische uitwerkingen van krachten, en de interactie tussen energie en materie veranderingen in de materie veroorzaakt.
  • systemen die hiermee tot stand kunnen komen, waarbij een verdere verdeling is in ecosystemen en levende systemen of organismen.

Er werden ook eindtermen geformuleerd die betrekking hebben op de wijze waarop wetenschappelijk onderzoek verloopt, en waarbij de leerlingen zelf een aantal onderzoeksvaardigheden verwerven.

Deze wetenschappelijke vaardigheden hebben betrekking op:

  • de methoden die gebruikt worden om nieuwe kennis te verwerven of bestaande kennis uit te breiden;
  • de communicatie over natuurwetenschappen.

Een selectie uit de grootheden en eenheden uit de Metrologische Reglementering[6] biedt een bijkomende ondersteuning aan de leraren natuurwetenschappen. Als we leerlingen in de eerste graad van het secundair onderwijs het gebruik en de notatie van grootheden en eenheden correct aanleren, kunnen zij dit verder zetten in de tweede en de derde graad. Het is de bedoeling dat de leerlingen vertrouwd geraken met de grootheden en eenheden door het gebruik in contexten en in opdrachten en dat ze deze leren gebruiken in oefeningen en onderzoek.

grootheid symbool eenheid symbool
massa m kilogram kg
lengte
   breedte
   hoogte, diepte
   dikte
   straal
   middellijn
   afstand
l
b
h
d
r
d
x, s
meter m
oppervlakte A vierkante meter
volume V kubieke meter
liter

l
temperatuur T

θ

kelvin
graden Celcius
K
°C
tijd t seconde s
druk p pascal Pa
snelheid v meter per seconde m/s
kracht F newton N
energie E joule J

2. Funderende doelen

De funderende doelen zijn gericht op vakspecifieke aspecten en in combinatie met de vakoverschrijdende eindtermen, op de ontwikkeling van de eigen persoon en een maatschappelijk engagement:

  • toepassingen van natuurwetenschappen uit de eigen ervaringswereld op eenvoudige wijze uitleggen door kennis van een aantal wetenschappelijke inzichten;
  • met behulp van representatieve voorbeelden, natuurwetenschappelijke kennis in de eigen ervaringswereld toepassen;
  • aan de hand van representatieve voorbeelden, het belang van de natuurwetenschappen en de toepassingen ervan voor de samenleving uitleggen en natuurwetenschappelijke kennis plaatsen in een maatschappelijke, culturele en historische context;
  • aan de hand van representatieve voorbeelden, een standpunt innemen en een waardeoordeel uitspreken over wetenschappelijke toepassingen;
  • een houding tegenover natuurwetenschappen aannemen die gebaseerd is op inzicht in haar methoden, in haar ontwikkeling en in haar maatschappelijke impact.

Deze funderende doelen moeten het authentiek leren (ervaringsgericht en toepassingsgericht leren, herkenbare contexten) voldoende kansen geven en de intrinsieke motivatie voor natuurwetenschappen stimuleren.

3. Selectiecriteria

Bij het selecteren van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de basisvorming moet er met verschillende criteria rekening worden gehouden: het cognitieve en/of morele ontwikkelingsstadium van de doelgroep, hun ervaringswereld en levensstijl, de mogelijke betekenis van de eindterm voor de persoonlijke belangstellingssferen en de maatschappelijke relevantie van de betrokken eindterm(en).

(a) Rekening houden met het cognitieve ontwikkelingsstadium van de doelgroep

Om natuurwetenschappelijke vraagstukken te benaderen doet men een beroep op de zogenaamde proefondervindelijke methode, waarbij een hypothese voor een mogelijke verklaring wordt opgesteld, de hypothese wordt getoetst (aan de hand van observaties en/of experimenteel onderzoek) waarna deze wordt bevestigd of eventueel bijgesteld.
Men doet daarbij vaak een beroep op kennis van structuren en processen die niet direct observeerbaar zijn.
Bij het formuleren van eindtermen en ontwikkelingsdoelen is het daarom van belang erover te waken dat de abstractiegraad van begrippen en de cognitieve operaties die nodig zijn om bepaalde vraagstukken te benaderen, afgestemd zijn op het cognitieve en morele ontwikkelingsstadium van de doelgroep. Een analyse van de resultaten van het peilingsonderzoek ‘natuur’ en ‘biologie’ leert dat leerlingen van het lager onderwijs en van de eerste graad secundair onderwijs abstracte begrippen slechts matig beheersen.

(b) Rekening houden met de persoonlijke ervaringen en levensstijl van de leerlingen

Levensgewoonten evolueren erg snel, bijvoorbeeld zijn jongeren nu vroeger seksueel actief. Ook kunnen levensgewoonten negatieve gevolgen hebben voor de volksgezondheid zoals voedingsgewoonten die tot hart- en vaatziekten leiden. Kennis van de oorzaken van deze evoluties en vaardigheden om deze kennis toe te passen in de eigen leefwereld zijn een voorwaarde om geïnformeerde keuzes te kunnen maken.

(c) Rekening houden met de belangstellingssfeer van de doelgroep

Bij de formulering van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen is rekening gehouden met wat leerlingen over (natuur)wetenschappen willen weten en kunnen.

(d) Rekening houden met de maatschappelijke relevantie van eindtermen en ontwikkelingsdoelen

Om goed te kunnen functioneren in een moderne samenleving wordt van iedereen verwacht dat hij basiskennis en -vaardigheden bezit in verband met natuurwetenschappen. Natuurwetenschappen en hun toepassingen scheppen nieuwe mogelijkheden maar houden tevens risico’s in. Van iedereen wordt verwacht dat hij geargumenteerde keuzes kan maken die leiden tot een duurzaam beheersen van de omgeving. Hierdoor is er een sterke band met de geactualiseerde reeks van vakoverschrijdende eindtermen uit de contexten ‘lichamelijke gezondheid en veiligheid’, ‘mentale gezondheid’ en ‘omgeving en duurzame ontwikkeling’ (zie: horizontale samenhang).

4. Samenhang

4.1 Horizontale samenhang

4.1.1 Het domein natuur binnen het leergebied wereldoriëntatie in het curriculum van het basisonderwijs

Het leergebied wereldoriëntatie heeft binnen het basisonderwijs een eigen identiteit. In algemene termen gaat het om het volgende:

Met 'Wereldoriëntatie' (wereldoriënterend onderwijs) verwerven kinderen kennis en inzicht in zichzelf, in hun omgeving en in hun relatie tot die omgeving, verwerven zij vaardigheden om in interactie te treden met die omgeving en worden zij gestimuleerd tot een positieve houding ten aanzien van zichzelf en hun omgeving.

Natuur, techniek, mens, maatschappij, tijd en ruimte zijn de zes domeinen of werkelijkheidsgebieden waarin de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het leergebied Wereldoriëntatie werden onderverdeeld. Tijd en ruimte kan men beschouwen als werkelijkheidsgebieden waarbinnen kinderen kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ontwikkelen, maar ook als dimensies van de werkelijkheid die de andere domeinen doorkruisen.

Deze uitgangspunten voor het leergebied wereldoriëntatie blijven gelden voor de geactualiseerde eindtermen en ontwikkelingsdoelen natuur. Dit wil onder meer zeggen dat de eindtermen en ontwikkelingsdoelen steeds in samenhang moeten worden gelezen. Waar mogelijk worden ze met elkaar verbonden om zo vorm te geven aan wereldoriënterend onderwijs. De samenhang tussen de domeinen natuur en techniek ligt voor de hand, maar ook de samenhang tussen de domeinen natuur en ruimte biedt kansen, bijvoorbeeld wanneer de leerlingen nagaan welke mogelijkheden er zijn in hun streek om te wonen, te werken of vrije tijd te besteden en hoe dit samenhangt met de natuurlijke elementen in hun omgeving. Talige en wiskundige vaardigheden kunnen de leerlingen gebruiken in contexten uit het domein natuur, bijvoorbeeld de temperatuur aflezen van een thermometer en correct interpreteren of een verslagje schrijven over een waarneming in de natuur.

Natuuronderwijs in de basisschool is er dan ook op gericht om kinderen zicht te doen krijgen op de natuurlijke omgeving die hen omringt en om hen te leren met het nodige respect hiermee om te gaan. Doelstellingen voor milieueducatie, gericht op het ontwikkelen van een positieve attitude tegenover de natuur, liggen in het verlengde hiervan.

Maar de mens lééft niet enkel in de natuur, hij maakt er zelf ook deel van uit. Daarom is het verwerven van elementaire inzichten in het functioneren van het eigen lichaam eveneens een doelstelling voor natuuronderwijs in de basisschool. Waar mogelijk moet men de relatie leggen met de eigen gezondheid en gezonde leefgewoonten.

4.1.2 Secundair onderwijs, eerste graad

De ontwikkelingsdoelen van de B-stroom en de eindtermen van de A-stroom

De nieuwe eindtermen voor de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs bevatten ook leerinhouden uit de niet-levende natuur. Op deze manier sluit de basisvorming van de leerlingen uit de A-stroom beter aan bij de basisvorming van het lager onderwijs en deze van de B-stroom: voor deze leerlingen waren er reeds ontwikkelingsdoelen over niet-levende natuur geformuleerd.
Dit betekent dat de leerinhouden van de A- en de B-stroom nu beter bij elkaar aansluiten dan vroeger.

Samenhang met andere vakken van de eerste graad

De eindterm over de wederzijdse beïnvloeding van levende wezens en hun omgeving sluit naadloos aan bij een eindterm uit aardrijkskunde:

A-stroom, natuurwetenschappen
De leerlingen kunnen in concrete voorbeelden aantonen dat de omgeving het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd (ET 8)

A-stroom, aardrijkskunde
De leerlingen kunnen met voorbeelden illustreren dat weer en klimaat de plantengroei en de activiteiten van dier en mens beïnvloeden (ET 19)

De eindterm over krachten kan in een les lichamelijke opvoeding geïllustreerd worden.

A-stroom, natuurwetenschappen
De leerlingen kunnen in concrete voorbeelden aantonen dat er verschillende soorten krachten kunnen voorkomen tussen voorwerpen en dat een kracht de vorm of de snelheid van een voorwerp kan veranderen (ET 10)

A-stroom, lichamelijke opvoeding
De leerlingen kunnen de belangrijkste onderdelen van een bewegingsverloop benoemen (ET 5)

4.1.3 Samenhang met techniek

Techniek en natuurwetenschappen worden vaak samen genoemd. Tot aan de industriële revolutie ontwikkelden beide disciplines zich grotendeels naast elkaar.

Het belangrijkste verschil tussen beide disciplines situeert zich op het vlak van de doelstelling:

  • (natuur)wetenschap stelt zich tot doel zo betrouwbaar mogelijke kennis te verwerven of uit te breiden (zonder dat daarbij een toepassing wordt vooropgesteld);
  • techniek stelt zich tot doel om in te grijpen op de materiële werkelijkheid om hiermee, rekening houdend met diverse beperkingen, aan bepaalde noden en behoeften te voldoen.

Ingaan op een behoefte die voortkomt uit de samenleving is niet noodzakelijk een zoektocht naar wetenschappelijke kennis.

Vandaag stelt men vast dat beide disciplines zich meer en meer in wisselwerking met elkaar ontwikkelen. Techniek doet in belangrijke mate een beroep op wetenschappelijke inzichten voor het ontwikkelen van producten. Voorbeelden hiervan zijn legio: ontwikkeling van nieuwe antibiotica na de ontdekking van de werking van penicilline, de ontwikkeling van de elektronenmicroscoop na het inzicht dat elektronen zich gedragen als golven, het röntgenapparaat na de ontdekking van de röntgenstralen enzovoort.

Anderzijds is de ontdekking van nieuwe (wetenschappelijke) kennis vaak afhankelijk van technische ontwikkelingen. Nieuwe kennis over celbiologie is in een stroomversnelling geraakt vanaf het ogenblik van de ontwikkeling van de licht- en daarna de elektronenmicroscoop. Bovendien is die wetenschappelijke kennis ook beïnvloed door de kenmerken en de beperkingen van de technische systemen waarmee waarnemingen uitgevoerd worden.

In sommige gevallen leiden technische toepassingen tot nieuwe wetenschappelijke inzichten. Zo heeft de ontwikkeling van de stoommachine nieuwe inzichten bijgebracht op het vlak van de thermodynamica.

Om de hierboven genoemde redenen bieden techniek en natuurwetenschappen kansen tot samenwerking. Gezien de eigen dynamiek van wetenschappen en van techniek zal de samenhang in het curriculum toch vooral via opportuniteiten gestalte moeten krijgen.

Technische systemen kunnen gebruikt worden als illustratie van wetenschappelijke begrippen, en wetenschappelijke kennis en inzichten kunnen gebruikt worden bij het onderzoeken, ontwerpen en maken van technische systemen.

Binnen de eindtermen en ontwikkelingsdoelen techniek zijn begrippen als grondstoffen, materialen en energie essentieel. Deze begrippen komen eveneens aan bod in de eindtermen en ontwikkelingsdoelen natuurwetenschappen. Maar ook duurzaamheidsaspecten -vooral in verband met energie en grondstoffen- lopen in beide disciplines parallel.

Binnen de eindtermen en ontwikkelingsdoelen natuurwetenschappen wordt erg veel belang gehecht aan het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Ook binnen de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor techniek is het onderzoeken prominent aanwezig. Er zijn hier zeker aspecten van horizontale samenhang en samenwerking mogelijk. Toch zijn er ook verschillen. Het uitvoeren van een wetenschappelijk onderzoek in de klas is nog geen techniek. Wanneer men een wetenschappelijk onderzoek uitvoert, dan ontbreekt de doelgerichtheid die eigen is aan techniek, met name het tegemoet komen aan een behoefte door in te grijpen in de materiële omgeving.

4.1.4 Samenhang met vakoverschrijdende eindtermen

De samenhang met de geactualiseerde versie van de vakoverschrijdende eindtermen kan ten eerste worden aangetoond door de sterke band met houdingen als kritische ingesteldheid, zorgzaamheid, verantwoordelijkheid, initiatief nemen, … die inherent zijn aan de beoefening van (natuur)wetenschappen.
Daarnaast is er een sterke samenhang met de contextgebieden ‘lichamelijke gezondheid en veiligheid’, ‘mentale gezondheid’ en ‘omgeving en duurzame ontwikkeling’.
Een aantal inhoudelijke elementen die betrekking hebben op de lichamelijke gezondheid (zoals gezonde voeding), mentale gezondheid (in verband met seksualiteit en voortplanting) en omgeving en duurzame ontwikkeling (in verband met grondstoffen, energie, de natuur) kunnen verworven worden via de eindtermen natuurwetenschappen van de eerste graad.

4.2 Verticale samenhang

Bij de ontwikkeling van de eindtermen/ontwikkelingsdoelen werd uitdrukkelijk aandacht besteed aan de samenhang tussen de verschillende onderwijsniveaus.
Dit komt het meest tot uiting in de eindtermen van de A-stroom van het secundair onderwijs waar nu ook niet levende natuur aan bod komt, net als in de ontwikkelingsdoelen van de B-stroom en de eindtermen natuur binnen het leergebied Wereldoriëntatie van het lager onderwijs.

De opbouw van het curriculum gebeurt geleidelijk vanaf het kleuteronderwijs tot in het secundair onderwijs. Voor sommige onderwerpen start de lijn in het lager onderwijs.
Kleuters leren bijvoorbeeld dat jongen geboren worden uit ouders van dezelfde soort, en dat er aan de geboorte een periode voorafgaat waarin het jong ontwikkelt. Voor kinderen in de lagere school ligt de nadruk op de lichamelijke ontwikkeling bij veranderingen die ze bij zichzelf ervaren: groei, wisselen van tanden en beginnende puberteit. In het secundair onderwijs worden, in de A-en de B-stroom, de technische aspecten van de voortplanting aangevuld met kennis over anticonceptie en het voorkomen van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Binnen de eindtermen en ontwikkelingsdoelen natuurwetenschappen wordt aandacht besteed aan het thema energie. Kinderen in de lagere school leren over bronnen van energie en zij kunnen aangeven dat energie nodig is om systemen te laten functioneren. Leerlingen uit de B-stroom van de eerste graad van het secundair onderwijs leren over vormen van energie in het dagelijkse leven en leerlingen in de A-stroom leren daarbij over de omzettingen tussen vormen van energie.

Voor de wetenschappelijke vaardigheden bouwen de eindtermen en ontwikkelingsdoelen geleidelijk op van de gerichte waarneming bij kleuters tot de uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek in het secundair onderwijs.

[1] EU (2006). Recommendation of the European Parliament and the Council of 18 December 2006 on key competences and lifelong learning. Official Journal of the European Union, L394/10-18.

http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/publ/pdf/ll-learning/keycomp_en.pdf

[2] http://www.etiennevermeersch.be/cursussen/historisch_overzicht_wijsbegeerte/hoofdstuk_1/

[3] Ervaringswetenschappen worden ook wel inductieve of empirische wetenschappen genoemd.

[4] DVO. Studieprofiel Wetenschappen. (Beschikbaar: http://ond.vlaanderen.be/dvo/secundair/studieprofielenaso/wetensch/index.htm

[5] Commissie van het Europees Parlement en de Raad (2005). Voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad inzake kerncompetenties voor levenslang leren. COM(2005)548. Brussel: Commissie van de Europese Gemeenschappen.

[6] Tabel tot vaststelling van de wettelijke meeteenheden en van hun veelvouden en delen gehecht aan het Koninklijk besluit van 14 september 1970.

Basisvorming

Eerste leerjaar A-B

In het eerste leerjaar A en in het eerste leerjaar B van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men telkens basisvorming en een keuzegedeelte.

Tweede leerjaar A

In het tweede leerjaar A van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de basisopties (en soms nog een keuzegedeelte).

Beroepsvoorbereidend leerjaar

In het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de beroepenvelden (en soms nog een keuzegedeelte).

De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad.

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 20.06.1996 en in de codex secundair onderwijs.