Secundair onderwijs - Eerste graad - A-stroom - Lichamelijke opvoeding

Vakgebonden eindtermen

 

1. Motorische competenties

 

1.1 Verantwoord en veilig bewegen

  De leerlingen
1 kunnen de belangrijkste basisregels van houdings- en rugscholing in bewegingssituaties toepassen.
2 kunnen onder begeleiding veiligheidsvoorschriften, afspraken en regels naleven.
3 gebruiken aangepaste uitrusting en kledij bij het uitvoeren van bewegingsactiviteiten.
 

1.2 Zelfstandig werken

  De leerlingen kunnen
4 in eenvoudige bewegingssituaties zelfstandig en onder begeleiding oefenen in kleine groepen, het gepaste materiaal opstellen en wegbergen.
 

1.3 Reflecteren over bewegen

  De leerlingen kunnen
5 de belangrijkste onderdelen van een bewegingsverloop benoemen.
6 oorzaken van lukken en mislukken van de beweging aangeven.
 

1.4 Gymnastiek

  De leerlingen kunnen
7 evenwicht behouden en herstellen.
8 in omgekeerde houding hangen en steunen.
9 vrije sprongen en steunsprongen uitvoeren.
10 hangen, steunen, zwaaien aan toestellen en beheerst landen.
11 een draaibeweging om de breedteas uitvoeren.
12 klimmen.
13 gekende oefeningen in een eenvoudige gymnastische combinatie uitvoeren.
 

1.5 Atletiek

  De leerlingen kunnen
14 een duurloop en een sprint uitvoeren.
15 verspringen en hoogspringen en op een veilige manier landen.
15 werpen en stoten.
 

1.6 Dans en expressie

  De leerlingen kunnen
17 eenvoudige bewegingen uitvoeren op een maatstructuur.
18 verschillende basisbewegingen uit één dansvorm uitvoeren: volksdans of sociale dans of jazzdans.
 

1.7 Spel en sportspel

  De leerlingen
19 kunnen deelnemen aan een vorm van doelspel en een vorm van terugslagspel.
20 spelen volgens afgesproken en aangepaste regels.
21 kunnen verschillende rollen vervullen binnen spelsituaties.
  De leerlingen
22* leren omgaan met elementen als spanning, verliezen, winnen en fair-play.
 

1.8 Verdedigingssporten

  De leerlingen kunnen
23 deelnemen aan een eenvoudige vorm van verdedigingssport met het oog op:
 
  • veilig vallen;
  • evenwicht bewaren, verstoren en herstellen;
  • lichamelijk contact durven nemen binnen de grenzen van de gestelde opdracht.
 

1.9 Bewegen in verschillende milieus

  De leerlingen
24 nemen deel aan bewegingsactiviteiten in de natuur.
25 kunnen één zwemslag doeltreffend uitvoeren.
26 beheersen voorbereidende vormen van reddend zwemmen.
  De leerlingen
27 ontwikkelen fitheid gebaseerd op uithouding, kracht, lenigheid en snelheid in verschillende bewegingssituaties.
28 kennen het belang van opwarming vóór en tot rust komen na fysieke activiteiten en passen dit toe.
29 passen vóór en na bewegingsactiviteiten hygiënische regels toe.
  De leerlingen
30* leren positief staan tegenover regelmatig oefenen en hun prestaties vergelijken met de voorgaande.
  De leerlingen
31 kunnen in groepsactiviteiten verschillende taken uitvoeren en afspraken nakomen.
32 tonen in alle omstandigheden respect voor materiaal.
33 betrekken alle leerlingen zonder onderscheid van geslacht, etnische origine of motorische aanleg in spel en andere groepsactiviteiten.
  De leerlingen
34* leren hun eigen bewegingsuitvoeringen en hun mogelijkheden en beperkingen juist inschatten.
35* leren inzet en volharding tonen en hun eigen grenzen verleggen.
  * Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een asterisk (*) aangeduid.
 

1.10 Verbreden en verdiepen van motorische competenties

keuze uit verantwoorde vormen uit meerdere bewegingsgebieden: atletiek, gymnastiek, dans en espressie, zwemmen, spel en sportspel, zelfverdediging, natuurgebonden activiteiten, of andere verantwoorde bewegingsgebieden.

  De leerlingen
36 combineren en passen eerder geleerde vaardigheden toe.
37 kunnen geleerde vaardigheden uitvoeren met anderen.
38 zoeken, behouden en herstellen evenwicht in verschillende situaties.
39 hangen, steunen, klimmen, zwaaien en draaien in verschillende situaties.
40 kunnen aangepaste vormen van springen, werpen en lopen in verschillende situaties beheerst uitvoeren.
41 kunnen meegaan en tegenwerken in bewegingen met anderen.
42 kunnen veilig vallen en landen in verschillende situaties.
43 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één doelspel:
 
  • als aanvaller een keuze maken m.b.t. doelen, passen, dribbelen en vrijspelen
  • als verdediger positie kiezen tussen aanvaller en doel.
44 kunnen binnen aangepaste vormen van minimum één terugslagspel:
 
  • het eigen speelveld verdedigen
  • pogen (na samenspel) te scoren
45 kunnen ritmische of dansante bewegingsvormen uitvoeren gekoppeld aan houdings-, ruimte- en tijdsbesef.
 

2. Gezonde en veilige levensstijl

  De leerlingen
46 ontwikkelen fitheid gebaseerd op uithouding, kracht, lenigheid en snelheid in verschillende bewegingssituaties.
47 kennen het belang van opwarming vóór en tot rust komen na fysieke activiteiten en passen dit toe.
48 passen vóór en na bewegingsactiviteiten hygiënische regels toe.
49 leren positief staan tegenover regelmatig oefenen en hun prestaties vergelijken met de voorgaande.
 

3. Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

  De leerlingen
50 kunnen in groepsactiviteiten verschillende taken uitvoeren en afspraken nakomen.
51 tonen in alle omstandigheden respect voor materiaal.
52 betrekken alle leerlingen zonder onderscheid van geslacht, etnische origine of motorische aanleg in spel en andere groepsactiviteiten.
53 leren hun eigen bewegingsuitvoeringen en hun mogelijkheden en beperkingen juist inschatten.
54 leren inzet en volharding tonen en hun eigen grenzen verleggen.

 

Uitgangspunten

1. Visie op het vak lichamelijke opvoeding

1.1 Maatschappelijke ontwikkelingen

Het onderwijs in de lichamelijke opvoeding moet rekening houden met maatschappelijke ontwikkelingen.

Enerzijds wordt onze samenleving gekenmerkt door een sterke afname van de lichaamsbeweging in het dagelijkse leven. Anderzijds resulteren de toename van de vrije tijd, de herontdekking van het lichaam en van de natuur in een groeiende belangstelling voor recreatie, gezondheid en sportbeoefening.

Hierbij wordt vaak te weinig aandacht besteed aan de kwaliteit van het bewegen. Bovendien gebeurt het soms op een onoordeelkundige manier. Nog te weinig mensen slagen erin beweging in hun levensstijl in te bouwen. Daarnaast neemt de topsport met positieve en negatieve aspecten een aparte plaats in in de bewegingscultuur van de samenleving.

Sport is een belangrijk cultureel en maatschappelijk gegeven dat inspirerend kan werken voor lichamelijke opvoeding én motiverend voor de jongere. Lichamelijke opvoeding moet een kritische selectie maken van wat uit de sport al dan niet kan gebruikt worden om de vooropgestelde doelen te bereiken. Hier zal bijgevolg duidelijk onderscheid moeten worden gemaakt tussen sport als middel en sport als doel. In de lessen lichamelijke opvoeding dient sport als middel gezien te worden. De secundaire school kan eveneens de leerlingen een idee geven over de mogelijkheden van verschillende sporten.

Zowel bij het op een gezonde manier leren omgaan met de verschillende aspecten van onze hedendaagse bewegingscultuur als bij het ontwikkelen van verantwoorde attitudes ten overstaan van andere actuele maatschappelijke ontwikkelingen kan het onderwijs in de lichamelijke opvoeding een cruciale rol spelen. Onder bewegingscultuur wordt de spel- en sportcultuur, de danscultuur en de lichaams- en fitnesscultuur verstaan.

1.2 Opdrachten van het vak lichamelijke opvoeding

Lichamelijke opvoeding heeft als eerste belangrijke opdracht de leerlingen bewegings-gebonden basiscompetenties bij te brengen waarmee ze in de maatschappij kunnen functioneren. De tweede opdracht is leerlingen voor te bereiden om deel te nemen aan en hun weg te vinden in de bewegingscultuur. Het gaat niet alleen om een zich probleemloos inpassen in die bewegingscultuur, maar ook om een benadering met voldoende kritische zin. Bij kleuters en in de eerste jaren van de lagere school ligt de klemtoon uiteraard op de eerste opdracht. Hoe ouder de kinderen en jonge mensen, hoe meer aandacht besteed wordt aan de tweede opdracht. Indien er zich op latere leeftijd tekorten in de basiscompetenties voordoen, moeten ze zo goed mogelijk worden bijgewerkt.

1.2.1 Bewegingssituaties staan centraal

Het lichamelijke-opvoedingonderwijs vertrekt vanuit bewegingssituaties. Hierbij leren de leerlingen op een efficiënte wijze handelen in relatie met de omgeving en met de medebewegers. Op die manier bouwen ze competenties op die belangrijk zijn om verschillende bewegingsproblemen op te lossen. De verworven competenties hebben best transferwaarde naar andere situaties.

In een probleemgeoriënteerd onderwijs worden bij voorkeur bewegingssituaties aangeboden waarbij de leerlingen de kans krijgen een bepaald bewegingsprobleem zelfstandig op te lossen en te leren kiezen uit verschillende mogelijke oplossingen. Beide vaardigheden zijn belangrijke doelstellingen (= ingebouwde vorm van gedifferentieerd leren en onderwijzen).

Het deelnemen aan bewegingssituaties vraagt van de jongeren niet alleen bewegingsvaardigheden maar ook kennis en inzicht in bewegen, de bewegings- en sportcultuur en in het eigen en andermans kunnen. Dit laatste vraagt ook een aantal attitudes en sociale vaardigheden.

Daarom worden in bewegingssituaties steeds op een geïntegreerde manier motorische, psycho-motorische, cognitieve, dynamisch-affectieve en sociale vaardigheden ontwikkeld bij kinderen van elke leeftijd, aangepast aan hun ontwikkelingsniveau en sociale achtergrond. Zo kan iedereen later op basis van kritische zin en waardenbesef een verantwoorde keuze maken over de manier waarop hij deelneemt aan de bewegingscultuur.

1.2.2 Ontwikkeling stimuleren

Lichamelijke opvoeding heeft als belangrijke taak de motorische en fysieke ontwikkeling van kinderen en jongeren te bevorderen. Als zodanig dient zij in te spelen op de noden van het groei- en ontwikkelingsproces dat specifiek is voor elke leeftijd. De motorische ontwikkeling kan men niet los zien van andere vormen van ontwikkeling zoals intellectuele, perceptuele en sociale ontwikkeling die in voortdurende wisselwerking met elkaar staan.

Ook in lichamelijke opvoeding moet iedere leerling zich op zijn niveau kunnen ontwikkelen. Elke jongere moet succesbeleving ervaren. Dat kan door hem taken te geven die aangepast zijn aan zijn mogelijkheden.

1.2.3 Motorische achterstanden remediëren

Motorische remedial teaching is belangrijk op alle onderwijsniveaus. Jongeren met motorische achterstanden worden extra geholpen. Dat houdt meer in dan gedifferentieerd onderwijs binnen de les lichamelijke opvoeding. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de school en de leraars motorische problemen tijdig te zien, te signaleren en te remedïeren. Zonder hierin te overdrijven en rekening houdend met de individuele ontwikkeling van de jongeren gaat onder meer bijzondere aandacht naar jongeren die motorische onrust vertonen, die weinig initiatief nemen om te bewegen of die op een krampachtige manier motorische taken uitvoeren.

1.2.4 Brede introductie in de bewegingscultuur waarborgen

Om op een adequate manier te kunnen inspelen op de huidige tendensen in de maatschappij en om de totale persoonlijkheid van de leerling te ontwikkelen wordt in de eindtermen gekozen voor een meervoudige en veelzijdige bewegingsbekwaamheid.

Een meervoudige bewegingsbekwaamheid beoogt dat jongeren bewegingssituaties vanuit verscheidene invalshoeken - gezondheid, recreatie, ontspanning, competitie, verkeerssituaties - kunnen benaderen. De verschillende invalshoeken vragen een andere ingesteldheid en een ander gebruik van de motorische vaardigheden. Zo leren de jongeren zich aanpassen aan een bepaalde bewegingscontext.

Met een veelzijdige bewegingsbekwaamheid wordt bedoeld dat bewegingssituaties moeten worden aangeboden die de basis leggen om te kunnen functioneren in de verschillende domeinen van het menselijk bewegen of van de bewegingscultuur.

Aangezien de bewegingscultuur zeer gevarieerd is zal er een selectie moeten worden gemaakt van wat relevant is voor de eindtermen. Hiervoor worden diverse criteria gehanteerd zoals: de maatschappelijke relevantie, de relevantie voor de ontwikkeling van de jongere, de transferwaarde en het blijvend waardevol karakter.

Zo kunnen we een aantal activiteitsgebieden of bewegingscultuurgebieden onderscheiden die belangrijk zijn in de maatschappij zoals sport en spel, dans, zwemmen, gymnastiek, atletiek, verdedigingssporten en natuurgebonden activiteiten.

1.2.5 De vrije natuur is een inspiratiebron

Lichamelijke opvoeding is per definitie gericht op ervaringsleren. De vrije natuur vormt een heel geschikt milieu om op een geïntegreerde wijze bewegingservaringen op te doen. De toenemende vrijetijdsoriëntering heeft opnieuw de aandacht gevestigd op natuurgebonden activiteiten. De natuur biedt grote mogelijkheden die de school niet mag verwaarlozen. Hierbij zal ook van de gelegenheid gebruik worden gemaakt om het milieubewustzijn van de jongeren te ontwikkelen.

1.2.6 Gezond en veilig bewegen

Lichamelijke opvoeding mag niet louter worden gezien als functietraining. Bewegings-situaties maken kinderen ervan bewust dat gezond en veilig bewegen belangrijk is en dat ze daartoe binnen hun eigen mogelijkheden verantwoordelijkheid hebben. Op die manier wordt een blijvende attitudevorming beoogd in plaats van een tijdelijk fysiek resultaat. Veel aandacht gaat ook naar het voorkomen van kwetsuren en overbelastingsverschijnselen, het opbouwen van een fysieke weerstand (onder andere via buitenactiviteiten) en het garanderen van maximale veiligheid bij bewegingssituaties.

1.2.7 Coëducatie

Coëducatie en coïnstructie zijn een keuze van de inrichtende macht. In een school waar men coëducatie in het opvoedingsproject nastreeft, zijn de bewegingsactiviteiten lichamelijke opvoeding hieraan inherent.

1.3 Lichamelijke opvoeding in de school als leefgemeenschap

De school is niet alleen een leergemeenschap maar ook een leefgemeenschap. Jongeren zijn lichamelijk aanwezig op school en moeten zoveel mogelijk de kans krijgen zich op een expressieve en handelende manier te ontplooien. Lichamelijke opvoeding is bovendien het enige vak dat zich expliciet richt naar de motorische vormingscomponent van de persoonlijkheid.

Lichamelijkheid, lichamelijk presteren en communiceren zijn persoonsgebonden aspecten die op alle leeftijden een belangrijke betekenis hebben in de ontwikkeling van het zelfconcept.

2. Funderende doelstellingen

  • Ontwikkelen van motorische competentie waarbij de nodige handelingsbekwaamheid en de gewenste motorische vaardigheden worden geleerd om optimaal te kunnen functioneren in verschillende domeinen van het menselijk bewegen.
  • Bewegingsactiviteiten ervaren vanuit verschillende invalshoeken en motivaties: recreatie, prestatie, fitheid, esthetisch beleven en ze in een persoonlijke, culturele en maatschappelijke visie integreren.
  • Via het bewegen een gezonde levensstijl ontwikkelen met aandacht voor correcte houding, bewegingsuitvoering en dosering van de fysieke inspanning.
  • Ontwikkelen van het zelfconcept binnen bewegingssituaties als bijdrage tot de persoonlijkheidsvorming.
  • In bewegingssituaties sociale attitudes ontwikkelen die het optimaal functioneren in groep bevorderen.

3. Selectiecriteria en structurering van de eindtermen

In de lichamelijke opvoeding worden eindtermen gerealiseerd binnen drie groepen van doelstellingen. Binnen deze groepen worden de verschillende componenten van de persoonlijkheidsvorming in hun onderlinge samenhang ontwikkeld. Dit betekent dat in bewegingsactiviteiten zowel de motorische, psycho-motorische, de cognitieve als de dynamisch-affectieve componenten geïntegreerd worden aangeboden.

3.1 De ontwikkeling van de motorische competenties van jongeren

Hieronder verstaat men het uitbouwen van de bewegingsmogelijkheden van jonge mensen, het ontwikkelen, uitbreiden en uitdiepen van basisvaardigheden tot het leren van specifieke vaardigheden binnen activiteiten die deel uitmaken van onze bewegingscultuur. In het secundair onderwijs zal aan deze groepen eindtermen in het bijzonder gewerkt worden tijdens de lessen lichamelijke opvoeding.

3.2 De ontwikkeling van een gezonde en veilige levensstijl

Het betreft hier onder meer eindtermen die jongeren toelaten om een fysieke basisconditie op te bouwen en te onderhouden. Hierbij kan men gebruik maken van de activiteitsgebieden zoals ze beschreven staan bij de motorische competenties en kan men een beroep doen op de motorische vaardigheden die daar ontwikkeld worden. Daarom worden sommige eindtermen die betrekking hebben op een gezonde en veilige levensstijl ook vermeld bij de motorische competenties.

3.3 De ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren

Via bewegingssituaties leert men zichzelf en anderen kennen en accepteren. Men leert daarenboven samenwerken, mekaar helpen en steun verlenen. Ook dit gebeurt niet los van motorische taken. Vandaar dat men binnen het luik 'motorische competenties' al bepaalde aspecten met betrekking tot het zelfconcept en/of sociaal functioneren zal terugvinden.

4. Coördinatie

4.1 Verticale samenhang

Motorische vorming is een continu proces dat geleidelijk opgebouwd wordt. In het lager onderwijs komen voor het eerst activiteiten uit de verschillende bewegingscultuurgebieden aan bod. Ze betekenen echter geen doel op zich maar ze worden gebruikt als middel om de basiscompetenties verder uit te bouwen en te verfijnen.

In het secundair onderwijs wordt deze vorming aangevuld en verdiept en desnoods geremedieerd. Uit de bewegingscultuur komt in een evenwichtige verdeling een aantal activiteitsgebieden aan bod:

  • gymnastiek,
  • atletiek,
  • ritmische en expressieve bewegingsvormen,
  • spel en sportspel,
  • verdedigingssporten,
  • bewegen in verschillende milieus.

In het lager onderwijs worden ze niet als duidelijk afgescheiden van elkaar ervaren. Ze uiten zich, uitgaande van natuurlijke basisbewegingen, in allerlei variante vormen van deze basisbewegingen, al dan niet gebruik makend van toestellen, spel en sportspelen, ritmisch en expressief bewegen, bewegen in verschillende milieus.

Vanaf het secundair onderwijs wordt er wel een duidelijk onderscheid gemaakt in verschillende activiteitsgebieden waarbinnen dan weer een keuze wordt gemaakt voor een beperkt aantal activiteiten op basis van de hiervoor genoemde criteria. Een bijkomend argument voor een beperking van het aantal activiteiten wordt gevonden in de studieloopbaan van jongeren. Na de eerste graad veranderen nog heel wat leerlingen van school. Een te sterk uiteenlopende keuze van activiteiten bij het begin van het secundair onderwijs kan er toe leiden dat er een hiaat ontstaat in de beoogde veelzijdige bewegingsbekwaamheid.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kennen elementaire regels om zichzelf en anderen te beschermen en passen ze ook toe. (Lager onderwijs: lichamelijke opvoeding, eindterm 1.2.)

    De leerlingen kunnen onder begeleiding veiligheidsvoorschriften, afspraken en regels naleven. (Eerste graad: lichamelijke opvoeding, eindterm 2.)

  1. De leerlingen kunnen hun loopstijl en -tempo aanpassen aan de afstand. (Lager onderwijs: lichamelijke opvoeding, eindterm 1.19.)

    De leerlingen kunnen een duurloop en een sprint uitvoeren. (Eerste graad: lichamelijke opvoeding, eindterm 14.)

4.2 Horizontale samenhang

De horizontale samenhang komt op twee manieren tot uiting. Ten eerste komen de drie groepen van doelstellingen waarvoor eindtermen werden geschreven altijd samen aan bod in concrete bewegingssituaties (zie de selectiecriteria). Ten tweede sluiten de eindtermen lichamelijke opvoeding ook aan bij een aantal specifieke doelen voor de andere vakken en bij de vakoverschrijdende doelstellingen.

Gezond en veilig bewegen en een gezonde en veilige levensstijl in het algemeen is niet alleen het werk van het vak lichamelijke opvoeding maar maakt deel uit van het globale schoolgebeuren. Hierbij wordt onder meer gezocht naar samenwerkingsmogelijkheden met andere vakken en met de vakoverschrijdende eindtermen.

Aangezien het verwerven van een gezonde en veilige levensstijl ruimer is dan het bewegen of het trainen van de fysieke conditie zal hier onder meer moeten worden gecoördineerd met biologie en gezondheidseducatie. Hierdoor vergroot niet alleen het inzicht met betrekking tot een gezonde en veilige levensstijl, maar kan ook efficiënter gewerkt worden aan de nodige attitudes.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen een goede sta-, zit- en tilhouding demonstreren en voorbeelden geven van mogelijke klachten die optreden bij verkeerde houdingen en bewegingen. (Eerste graad: gezondheidseducatie, eindterm 13.)

    De leerlingen kunnen de belangrijkste basisregels van houdings- en rugscholing in bewegingssituaties toepassen. (Eerste graad: lichamelijke opvoeding, eindterm 1.)

    De eindtermen met betrekking tot het zelfconcept en het sociaal functioneren sluiten zeer sterk aan bij die voor sociale vaardigheden

  1. De leerlingen kunnen in groepsverband meewerken en een toegewezen opdracht uitvoeren. (Eerste graad: sociale vaardigheden, eindterm 5.)

    De leerlingen kunnen verschillende rollen vervullen binnen spelsituaties. (Eerste graad: lichamelijke opvoeding, eindterm 21.)

    Natuurgebonden activiteiten bieden goede mogelijkheden tot geïntegreerd werken en tot het realiseren van vakoverschrijdende eindtermen met betrekking tot milieu-educatie.

Basisvorming

Eerste leerjaar A-B

In het eerste leerjaar A en in het eerste leerjaar B van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men telkens basisvorming en een keuzegedeelte.

Tweede leerjaar A

In het tweede leerjaar A van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de basisopties (en soms nog een keuzegedeelte).

Beroepsvoorbereidend leerjaar

In het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de beroepenvelden (en soms nog een keuzegedeelte).

De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad.

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 20.06.1996 en in de codex secundair onderwijs.