Mens en maatschappij lager onderwijs

Eindtermen

 

1. Mens

 

Ik en mezelf

  De leerlingen
1.1* drukken in een niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen spontaan uit.
1.2 kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie en kunnen illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden zijn
1.3* tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen.
 

Ik en de ander

  De leerlingen
1.4 kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen, erover praten en aangeven dat deze op elkaar inspelen.
1.5* tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangswijzen met anderen waarin ze minder sterk zijn.
1.6* tonen in een eenvoudige conflictsituatie in de omgang met leeftijdgenoten de bereidheid om te zoeken naar een geweldloze oplossing.
 

Ik en de anderen: in groep

  De leerlingen
1.7* hebben aandacht voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een groep typeren en zijn bereid er rekening mee te houden.
 

2. Maatschappij

 

Sociaal-economische verschijnselen

  De leerlingen
2.1 kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden.
2.2 kunnen met een zelf gekozen voorbeeld illustreren hoe de prijs van een product tot stand komt.
2.3 kunnen met een zelf gekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt.
2.4 kunnen illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is.
2.5* beseffen dat hun gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media.
2.6* tonen zich bereid om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren.
 

Sociaal-culturele verschijnselen

  De leerlingen
2.7* kunnen er in hun omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als zijzelf.
2.8 kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten.
2.9 kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.
2.10 weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen.
2.11 kunnen illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.
2.12 zien in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.
 

Politieke en juridische verschijnselen

  De leerlingen
2.13 kunnen het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Ze zien daarbij in dat de rechten en plichten complementair zijn.
2.14 kunnen op een eenvoudige wijze uitleggen dat verkiezingen een basiselement zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen.
2.15 kunnen illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen.
2.16 weten dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Ze weten daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen.
2.17 kennen de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal).
 

3. Tijd

 

Dagelijkse tijd

  De leerlingen
3.1 kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid realistisch schatten.
3.2 kunnen een kalender gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.
3.3 kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.
3.4 kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.
 

Historische tijd

  De leerlingen
3.5 kunnen belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria vinden.
3.6 kunnen hun afstamming aangeven tot twee generaties terug.
3.7 kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband.
3.8 kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.
3.9* tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.
 

Algemene vaardigheden tijd

  De leerlingen
3.10* beseffen dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.
 

4. Ruimte

 

Oriëntatie- en kaartvaardigheid

  De leerlingen
4.1 kunnen aan elkaar een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.
4.2 kunnen aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven.

4.3

kunnen in een praktische toepassingssituatie op een gepaste kaart en op de globe evenaar, de polen, de oceanen , de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen.
4.4 kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas.
4.5 kunnen begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gemeenschap, land en continent in een juiste context gebruiken.
4.6 hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen kunnen aanwijzen.
 

Ruimtebeleving

  De leerlingen
4.7 kunnen aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen beleefde en absolute afstand illustreren.
4.8 kunnen suggesties geven voor het inrichten van hun eigen omgeving.
 

Ruimtelijke ordening/bepaaldheid

  De leerlingen
4.9 kunnen in de realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische en industriële omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden.
4.10 kunnen hun eigen streek en twee andere streken in België situeren op een kaart en de relatie beschrijven tussen de omgeving en aspecten van het dagelijks leven van de mensen.
4.11 kunnen aspecten van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied vergelijken met het eigen leven.
 

Algemene vaardigheden ruimte

  De leerlingen
4.12 kunnen in een landschap gericht waarnemen en ze kunnen op een eenvoudige wijze onderzoeken waarom het er zo uitziet.
4.13 kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal.
 

Verkeer en mobiliteit

  De leerlingen
4.14 kunnen de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren.
4.15 beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie en ze kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route.
4.16 tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers.
4.17 kennen de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kunnen de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven vergelijken.
4.18 kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.
 

5. Brongebruik

5.1 De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen

 

Uitgangspunten

Vanaf 1 september 2015 werd het leergebied ‘Wereldoriëntatie’ opgesplitst in twee nieuwe leergebieden: ‘Wetenschappen en techniek’ en ‘Mens en maatschappij’. De bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen ‘Wereldoriëntatie’ werden daardoor verdeeld over deze twee nieuwe leergebieden. Inhoudelijk verandert er dus niets, waardoor de leerplannen behouden kunnen blijven. Hieronder vind je de uitgangspunten voor het leergebied ‘Mens en maatschappij’.

De eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het leergebied ‘Mens en maatschappij’ zijn erop gericht dat kinderen:

  • basiscompetenties ontwikkelen die hen in staat stellen met vertrouwen zichzelf en hun omgeving steeds verder en diepgaander te exploreren over ‘Mens en maatschappij’.
  • interesse ontwikkelen voor ‘Mens en maatschappij’, nu en in het verleden, hier en elders in de wereld.
  • een basishouding van openheid en respect ontwikkelen tegenover ‘Mens en maatschappij’.
  • basisvaardigheden ontwikkelen om zelfstandig met informatie over ‘Mens en maatschappij’ te leren omgaan.

 

1. Kerngedachten

Het leergebied ‘Mens en maatschappij’ heeft in het basisonderwijs een eigen identiteit. In algemene termen gaat het om het volgende:

Met Mens en maatschappij verwerven kinderen kennis en inzicht in zichzelf, in hun omgeving en in hun relatie tot die omgeving, verwerven zij competenties om in interactie te treden met die omgeving en worden zij gestimuleerd tot een positieve houding ten aanzien van zichzelf en hun omgeving over Mens en maatschappij.

Het begrip 'omgeving' moet hier in een ruime betekenis worden begrepen. Het verwijst zowel naar de fysische als de sociale en culturele omgeving van de kinderen.

Deze algemene omschrijving van ‘Mens en maatschappij’ zegt nog niet welke inhoudelijke thema’s aan bod moeten komen, wil een kind de wereld gaandeweg beter begrijpen. Ze zegt ook niet over welke competenties een kind moet beschikken om in de wereld te kunnen functioneren. Om die te kunnen afleiden moet een aantal criteria gehanteerd worden. Welke criteria dit zijn, hangt af van de invalshoek die gekozen wordt: het kind zelf, rollen, de wetenschappen en de samenleving.

Het kind zelf

Kinderen hebben vragen, interesses, voorkeuren die verklaard kunnen worden door specifieke behoeften op een bepaalde leeftijd. Denk aan de behoefte aan structurering van de tijd, de behoefte aan exploratie van ongekende dingen, de behoefte aan identificatie, de behoefte aan beweging en activiteit. De ontwikkelingspsychologie is dus één invalshoek van waaruit een aantal keuzes kunnen worden verantwoord.

Rollen

Ook vanuit de rollen die het kind nu en later vervult, kunnen onderwerpen waarop ‘Mens en maatschappij’ betrekking heeft, afgeleid worden. Kinderen leven niet op een eiland in hun eigen kinderwereld. Hoe klein zij ook zijn, zij maken deel uit van een groter geheel en zij vervullen ook al heel vroeg een aantal rollen, bijvoorbeeld een rol als consument (tv, speelgoed, computer …) of een rol als deelnemer aan het verkeer. Ook de rollen die kinderen later als volwassene moeten vervullen, kunnen een aantal indicaties geven, bijvoorbeeld hun rol als man of vrouw later in de samenleving, hun rol als kiezer voor het functioneren van onze instellingen, hun rol als werkgever of werknemer ...

De wetenschappen

De verschillende wetenschappelijke disciplines reiken een structuur aan om op een systematische wijze begrippen, wetmatigheden, vaardigheden en attitudes te verwerven. Het gaat hier zowel om disciplines als biologie, fysica, geschiedenis en geografie als om disciplines zoals psychologie, filosofie en sociologie.

De samenleving

Bij de ontwikkeling van de eindtermen voor ‘Mens en maatschappij’ werd ook rekening gehouden met het feit dat kinderen opgroeien in een multi-etnische en multiculturele samenleving. Intercultureel onderwijs is een opdracht voor alle scholen en was mee richtinggevend voor de ontwikkeling van de eindtermen voor ‘Mens en maatschappij’.

 

2. Domeinen

Mens, maatschappij, tijd en ruimte. Dat zijn de vier domeinen waarin de ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het leergebied ‘Mens en maatschappij’ werden onderverdeeld.

Deze domeinen waarbinnen kinderen kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ontwikkelen, kunnen ook beschouwd worden als dimensies van de werkelijkheid die de andere domeinen en leergebieden doorkruisen. De inhouden krijgen bijvoorbeeld een extra dimensie wanneer ze behandeld worden vanuit een tijds- en ruimteperspectief.

Overigens kan een verschijnsel altijd vanuit verschillende invalshoeken bekeken worden. Op die manier wordt het ook duidelijk dat er een onderlinge samenhang is tussen de verschillende benaderingen van een verschijnsel. Multiperspectiviteit is een principe dat wenselijk is voor alle leergebieden.

Aan het einde van de lijst eindtermen ‘Mens en maatschappij’ werd ten slotte het thema brongebruik opgenomen. In goed onderwijs is bronnen leren raadplegen immers een essentiële vaardigheid. Deze vaardigheid moet bijgevolg worden gekoppeld aan inhouden uit elk van de vier domeinen en andere leergebieden.

Mens

Kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes tegenover zichzelf en anderen als psycho-sociaal wezen. Ze doen dit als individu (behoeften, gevoelens, zelfbeeld ...) en als sociaal wezen in intermenselijke relaties (sociale kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes). De aandacht moet daarbij ook uitgaan naar interculturele communicatievaardigheden.

Rubrieken Ik en mezelf
  Ik en de ander
  Ik en de anderen: in groep

Het psycho-sociale heeft betrekking op de psychologische dimensie in het functioneren van de mens als individu en als lid van sociale verbanden. Aandacht hieraan besteden binnen het onderwijs betekent: kinderen helpen om mensen te begrijpen en op een adequate wijze met zichzelf en anderen om te gaan. In wat volgt geven we het kader aan dat als uitgangspunt heeft gediend voor het opstellen van de eindtermen.

Dankzij onze zintuiglijke en cognitieve functies 'maken' we onze wereld: door waarneming, geheugen en voorstelling, fantasie en denken krijgen situaties voor ons een betekenis. Deze betekenisverlening gaat altijd gepaard met een zekere beleving, met gevoelens. Die gevoelens kunnen worden gezien als de uitdrukking van de mate waarin een situatie aan onze behoeften tegemoet komt. Betekenisverlening en gevoelsbeleving komen tot uiting in wat mensen doen, met andere woorden in hun gedrag en handelen. Die gedragingen/handelingen drukken voor de anderen een zekere boodschap uit, ze hebben communicatiewaarde. Uit hoe ik mij gedraag, creëren de anderen een beeld van het soort mens dat ik ben, van de manier waarop ik de situatie beleef en van mijn intenties. Dat beeld berust altijd op een interpretatie van mijn gedrag. Het stemt al of niet overeen met het beeld dat ik daar zelf van heb en het klinkt in mindere of meerdere mate door in de manier waarop de anderen op mij reageren.

Wat ik doe, heeft een bepaald effect. Op grond van mijn waarneming en interpretatie daarvan krijg ik een bepaald beeld van mijn eigen competenties (wat kan ik goed / wat niet / wat voor iemand ben ik) en van de manier waarop de wereld of bepaalde anderen zich tot mij verhouden (bevredigend of onbevredigend / uitnodigend of afstotend / beschermend of bedreigend / positief of negatief / bevestigend, verwerpend of negerend).

De nauwe wisselwerking tussen waarneming, cognities, gevoelsbeleving en gedrag groeit uit tot bepaalde patronen die het individu kenmerken. Hoe die patronen zich ontwikkelen hangt niet uitsluitend af van het individu en zijn individuele ontwikkeling. Binnen elke groep (gezin, klasgroep ...) ontwikkelen zich typerende interactie- en betekenisverleningspatronen die verwijzen naar wat binnen die groep als gewoon/ongewoon, gepast/ongepast ... ervaren wordt. Sociale vaardigheden worden in belangrijke mate bepaald door de groepscultuur. Gedrag dat in de ene situatie/groep als blijk van sociale competentie wordt ervaren, kan in een andere situatie/groep als 'ongepast' worden beleefd.

De doelen voor “de mens als psycho-sociaal wezen" zijn opgevat als basiscompetenties waarover kinderen, met het oog op hun verdere ontwikkeling als persoon en lid van de samenleving, op het einde van de basisschool minstens op een zeker niveau zouden moeten beschikken. "Op een zeker niveau" houdt onder meer in dat de situaties niet verder hoeven te reiken dan de eigen leef- en ervaringswereld van het kind. Die "anderen" zijn dan hooguit leeftijdgenoten en jongere kinderen.

Maatschappij

De kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes in functie van het participeren aan samenleving. Het gaat hier zowel om sociaal-economische verschijnselen (arbeid en handel, consumentenopvoeding ...), sociaal-culturele verschijnselen (groepsvorming, voorzieningen voor specifieke groepen, levensbeschouwelijke en esthetische zingeving, leven in een multiculturele samenleving ...) als politieke en juridische verschijnselen (rechten en plichten, bestuur van het land, internationale samenwerkingsverbanden ...).

Rubrieken Sociaal - economische verschijnselen
  Sociaal - culturele verschijnselen
  Politieke en juridische verschijnselen

Onderwijs over ‘Mens en maatschappij’ is gericht op het ontwikkelen van basiscompetenties die het kinderen nu en later mogelijk moeten maken om te functioneren in de maatschappij. Daarom mochten een aantal eindtermen die rechtstreeks verwijzen naar essentiële elementen van die maatschappij niet ontbreken. Bijgevolg werd binnen dit domein een selectie gemaakt van maatschappelijke verschijnselen en mechanismen waarvan jonge kinderen zich gaandeweg - o.a. via het onderwijs - een correct beeld zouden moeten vormen. Daarbij worden ze stilaan vaardig om zich op een sociaal weerbare en respectvolle wijze te gedragen.

In een aantal ruimere maatschappelijke verschijnselen en mechanismen vervullen kinderen van een basisschool nog geen actieve rol (politiek, justitie, arbeid en werkloosheid, bestuur van een land ...). Ze worden er echter wel bijna dagelijks mee geconfronteerd door wat ze opvangen van hun ouders, kennissen of de media. Voor deze terreinen ligt het accent dan ook hoofdzakelijk op het verwerven van inzichten, uiteraard op een niveau dat aangepast is aan de mogelijkheden van jonge kinderen.

Er zijn echter ook zaken waar de kinderen wel rechtstreeks mee te maken hebben. Daarvoor moeten ze wel een aantal vaardigheden en attitudes ontwikkelen. Denk aan een aantal aspecten van consumentengedrag. Bijvoorbeeld: leren rekening houden met andere gezinsvormen dan het eigen gezin of in het eigen denken en handelen vormen van racisme en etnocentrisme leren onderkennen en vermijden.

Bij het inhoudelijk afbakenen van het domein ‘Maatschappij’ werd ervoor gekozen aspecten van de eigen samenleving te belichten, maar dan wel in een mondiale context. Dit betekent dat bij de behandeling van een economisch verschijnsel bij ons (bijvoorbeeld een fabriek die haar deuren sluit) er ook aandacht wordt gevraagd voor de ruimere internationale economische context (bijvoorbeeld de relatie rijke industrielanden - derdewereldlanden). Zo verwerven kinderen ook elementaire kennis van een aantal internationale samenwerkingsverbanden zoals de Europese Unie.

Tijd

De kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van de oriëntatie in de dagelijkse en historische tijd.

Rubrieken Dagelijkse tijd
  Historische tijd
  Algemene vaardigheden tijd

Het dagelijks en historisch tijdsbewustzijn ontwikkelen en vergroten, is de algemene doelstelling die in het basisonderwijs in verband met 'tijd' nagestreefd wordt. De kinderen verwerven inzicht en worden vaardig in het omgaan met de dagelijkse of cyclische tijd en met de historische of lineaire tijd.

Voor de dagelijkse tijd is het vooral van belang dat de kinderen greep krijgen op de eigen tijd: ze kunnen gebeurtenissen situeren en ordenen in de tijd, maar ze kunnen ook de eigen tijd stilaan zelf plannen. Kunnen plannen is een essentieel element van zelfsturing. Maar ook vanuit het oogpunt van sociale redzaamheid is vaardig kunnen omgaan met de tijd en met tijdsaanduidingen, onmisbaar in het gedragsrepertoire van een mens.

Voor het historisch tijdsbewustzijn is het van belang dat de kinderen tot het inzicht komen dat het leven van mensen - ook hun eigen leven - in belangrijke mate beïnvloed wordt door de tijd waarin ze leven. Het is ook van belang dat de kinderen hun eigen bestaan leren zien als historisch bepaald en bepalend: de wereld van nu werd bepaald door de wereld van gisteren en is bepalend voor de wereld van morgen.

Tijdens hun jaren in de basisschool leren de kinderen dat ze de tijd kunnen structureren door hem in te delen in periodes. Een indeling in periodes vormt dan een referentiekader, een ankerplaats om nieuwe begrippen en gebeurtenissen aan te hechten. Eén van de doelstellingen van het basisonderwijs is dat kinderen een onderwerp zelf kunnen indelen in periodes aan de hand van één of meerdere kenmerken. Daarnaast maken ze ook kennis met algemeen gangbare historische periode-indelingen. Deze indelingen in periodes - vaak visueel voorgesteld op een tijdkaart - zijn evenwel slechts een hulpmiddel en geen doel op zich.

In het basisonderwijs maken de kinderen kennis met een indeling in vier periodes, die verwijst naar algemeen gangbare indelingen om onze eigen Europese geschiedenis chronologisch te schetsen.

  1. Prehistorie/oudheid
  2. Middeleeuwen
  3. Nieuwe tijden
  4. Onze tijd

Met 'Prehistorie/oudheid' wordt de periode tot ca. 500 n.C. bedoeld. Prehistorie en oudheid zijn historisch duidelijk afgescheiden. Vanuit de vaststelling dat het tijdsbesef van een kind in het lager onderwijs nog beperkt is, worden beide periodes gegroepeerd. Met "Middeleeuwen' wordt de periode van ca. 500 n.C. tot ca.1500 bedoeld, met 'Nieuwe tijden' de periode van ca.1500 tot 'Onze tijd' en met 'Onze tijd' de periode waarin het voor de kinderen nog mogelijk is om levende getuigen (de generatie van ouders en grootouders) te ontmoeten.

Deze indeling in vier grote periodes laat ruimte voor zowel nadere specificering als voor vergelijking met andere culturen en tijdrekeningen. Dat is interessant in het perspectief van intercultureel onderwijs. Het draagt namelijk bij tot het besef dat in de loop der tijden andere volkeren en culturen een eigen geschiedenis hebben ontwikkeld en dat die niet noodzakelijk gelijk loopt met de Europese geschiedenis. Wanneer er echter in de eindtermen sprake is van periodes, dan gaat het om de vier hogergenoemde periodes als referentiekader.

Ruimte

De kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van de oriëntatie in de ruimte en de relatie tussen de mens en de ruimte die hij benut. Ook doelstellingen inzake verkeers- en mobiliteitseducatie vinden hier hun plaats.

Rubrieken Oriëntatie- en kaartvaardigheid
  Ruimtebeleving
  Ruimtelijke ordening/bepaaldheid
  Algemene vaardigheden ruimte
  Verkeer en mobiliteit

De algemene doelstelling die in het basisonderwijs in verband met 'Ruimte' nagestreefd wordt, is het ontwikkelen en vergroten van het ruimtelijk bewustzijn. De kinderen leren zich vooral oriënteren in de ruimte, in hun eigen omgeving en in omgevingen die ze niet kennen.

Een belangrijke plaats neemt het ontwikkelen van kaartvaardigheid in. Met kaart bedoelen we een verkleinde, gegeneraliseerde en symbolische weergave van de werkelijkheid, overgebracht op een plat vlak, waarbij grote of kleinere vervormingen kunnen optreden. Het ontwikkelen van kaartbegrip en kaartvaardigheid bij kinderen is een complexe maar belangrijke opgave. Het gaat er niet zozeer om dat kinderen topografische kennis verwerven. Belangrijker zijn de sociale redzaamheid en de kijk op de wereld.

Ruimtelijke ordening verwijst naar de relatie tussen de mens en de ruimte die hij benut. Vanuit het besef dat het menselijk bestaan ook ruimtelijk bepaald is, moet ook aandacht besteed worden aan het leven van mensen op andere plaatsen van de wereld. Dit betekent dat kinderen inzicht verwerven in aspecten van het economisch, sociaal en cultureel leven van mensen in andere cultuurgebieden. Een analyse kunnen maken van overeenkomsten en verschillen met het eigen leven is hierbij een belangrijke vaardigheid.

Binnen het domein Ruimte worden ook een aantal eindtermen over verkeer en mobiliteit geformuleerd. Merk op dat zich veilig in het verkeer begeven een aantal psycho-motorische vaardigheden veronderstelt die in voldoende mate en in zo realistisch mogelijke situaties moeten worden geoefend.

Gebruik van bronnen

Met het oog op levenslang leren zijn vaardigheden rond het raadplegen en gebruiken van bronnen essentieel. Iedereen moet in staat zijn om zich op een flexibele en zelfstandige wijze een weg te zoeken in de grote informatiestroom.

Maar ook vanuit didactisch en leertheoretisch standpunt wordt het belang van deze vaardigheden onderstreept. Steeds meer stapt men af van een 'traditionele' visie op leren waarbij leren bestaat uit het passief opnemen van kant-en-klare kennis en procedures die door de vorige generaties ontdekt en geïnstitutionaliseerd zijn. In een visie waarin ‘leren’ beschouwd wordt als een actief proces worden leerlingen veeleer beschouwd als autonome leerders. De leraar en het handboek zijn niet meer de enige bron van informatie.

De bronnen waarvan in deze eindtermen sprake is, kunnen ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat bijvoorbeeld niet enkel om historische verhalen of de traditionele informatieve teksten in jeugdencyclopedieën. Er kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan goed videomateriaal, (gebruiks)voorwerpen, informatie op Internet, informatie in musea ...

 

Wat zijn eindtermen?

Eindtermen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie.

Voor het lager onderwijs zijn er enkel eindtermen voor het einde van de basisschool.

Wat zijn ontwikkelingsdoelen?

Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie.

In het kleuteronderwijs zijn er enkel ontwikkelingsdoelen voor het einde van de kleuterschool.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 27.05.1997 en in het decreet basisonderwijs.