Eerste graad - Inleiding uitgangspunten B-stroom

1. Vooraf

Een groep leerlingen maken de overstap van het lager onderwijs naar het secundair onderwijs zonder de eindtermen van het lager onderwijs te hebben behaald. Dit is een belangrijke reden geweest om in de eerste graad een onderscheid te maken tussen een A-stroom (eerste leerjaar A en tweede leerjaar) en een B-stroom (eerste leerjaar B en beroepsvoorbereidend leerjaar).

Daarnaast blijkt uit het leerlingenprofiel van de B-stroom dat het om een wel zeer heterogene groep gaat. Die heterogeniteit  uit zich in het verschil in de kalenderleeftijd, de spreiding van het didactisch niveau (vanaf de leerstof van het derde leerjaar tot en met de leerstof van het zesde leerjaar van de lagere school) als de verschillen in leergeschiktheid. Deze heterogeniteit wordt nog duidelijker in de loop van het schooljaar, wanneer de leraar te maken krijgt met de vele varianten van gebrekkig functionerende leer- en ontwikkelingsprocessen (het sociaal-emotioneel functioneren, het keuzeproces en het psycho-motorisch functioneren).

2. Een meer geïndividualiseerde aanpak

Omwille van de heterogeniteit van de groep is een meer geïndividualiseerde aanpak nodig zodat in een aantal gevallen het perspectief van het bereiken van de eindtermen van het lager onderwijs en de eventuele overstap naar de A-stroom mogelijk blijft.

Een remediërende werkwijze is aangewezen waarbij men enerzijds de verworvenheden en anderzijds de leemten in verband met de basiskennis of -vaardigheden (voornamelijk basiswoordenschat, lezen, correct schrijven en rekenen) tracht vast te stellen en dit voor elke leerling apart. Zo wordt het mogelijk om de moeilijkheden snel te lokaliseren, de problemen te reduceren tot hun werkelijke omvang en doelgericht te remediëren. Men hoeft de leerling niet te lang te confronteren met reeds vertrouwde materie. Dit zou niet alleen tijdverlies betekenen, maar zou bovendien demotiverend werken.

Met deze remediërende werkwijze kan men pogen de leerlingen meer inzicht bij te brengen en de algoritmen correct te laten uitvoeren. Voor leerlingen met een beperkte leergeschiktheid kan men zich beperken tot het toepassen van de algoritmen om zo toch nog een maximale sociale redzaamheid te garanderen. Deze remediërende werkwijze heeft echter ook zijn beperkingen omwille van de werkbelasting van de leraar en het soms weinig motiverende karakter van de oefeningen voor de leerlingen. Daarom beperken de ontwikkelingsdoelen voor de remediëring zich tot de basiskennis en de basisvaardigheden.

Verder moet correctief gewerkt worden naar het leer- en ontwikkelingsproces toe door te werken aan het gebrekkig functioneren van de leerlingen, meer bepaald het zwak informatieproces en het zwak sociaal-emotioneel functioneren. Dit kan door de leerling te helpen bij het ontwikkelen van leerstrategieën (leren leren) en anderzijds hen te leren hun negatieve faalangst te overwinnen en opnieuw normaal te leren functioneren binnen leergroepen (sociale vaardigheden).

De basisleerstof is echter ruimer te zien dan de remediëringsleerstof voor taal en rekenen. Daarom is bij de ontwikkelingsdoelen ook aandacht besteed aan leerinhouden die aangepast zijn aan de leeftijd van de leerling, waardoor hij gemakkelijker te motiveren is en voorbereid wordt op het vervolgonderwijs en het maatschappelijk functioneren.

3. Consecutiviteit

Vermits een aanzienlijke groep leerlingen van de B-stroom de eindtermen van het lager onderwijs niet hebben behaald, worden deze als richtsnoer voor de ontwikkelingsdoelen genomen. Dit biedt de mogelijkheid ernaar te streven dat de leerlingen, zij het op een latere leeftijd, de eindtermen van het lager onderwijs bereiken. Tevens schept het voor een aantal leerlingen de mogelijkheid de eindtermen van de A-stroom te bereiken.

Ook wordt rekening gehouden met de noden die eigen zijn aan de specifieke leeftijd van de leerlingen, waardoor ook een aantal relevante ontwikkelingsdoelen voorkomen, die in het lager onderwijs nog niet aan de orde zijn.

De ontwikkelingsdoelen bieden ook de mogelijkheid om elke leerling in functie van persoonlijke aanleg, remedieerbaarheid en motivatie naar aangepast onderwijs (A-stroom, BSO en BuSO) te begeleiden.

4. Ordening van het geheel van de ontwikkelingsdoelen

De ontwikkelingsdoelen zijn als volgt geordend:

  • Nederlands,
  • wiskunde,
  • maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde,
  • natuurwetenschappen of fysica en of biologie en of wetenschappelijk werk,
  • artistieke opvoeding of plastische opvoeding en of muzikale opvoeding,
  • lichamelijke opvoeding,
  • technologische opvoeding,
  • Frans.

De ordening van ontwikkelingsdoelen laat voldoende ruimte om ze te behandelen ofwel binnen afzonderlijke vakken ofwel meer geïntegreerd in het project algemene vakken. Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder 'project algemene vakken'. De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste leerjaar B. Lees het besluit van de Vlaamse Regering houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs.

Daarnaast biedt de bundel de ontwikkelingsdoelen van de vakoverschrijdende  gebieden:

  • leren leren,
  • sociale vaardigheden,
  • opvoeden tot burgerzin,
  • gezondheidseducatie,
  • milieu-educatie.