Derde graad - BSO - Project algemene vakken

Vakgebonden eindtermen

 

1. Functionele taalvaardigheid

  De leerlingen kunnen
1 uit mondelinge en schriftelijke informatie de essentie halen.
2 over die informatie reflecteren en ze evalueren.
3 ingewonnen informatie mondeling gebruiken.
4 mondeling argumenteren.
5 eenvoudige informatie schriftelijk formuleren.
6 zich mondeling duidelijk uiten.
 

2. Functionele rekenvaardigheid

  De leerlingen kunnen
7 evenredigheden functioneel toepassen met o.a.:
 
  • het principe van de regel van drieën
  • percentrekenen
  • schaalgebruik
8 in praktische situaties de verworven wiskundige denkmethodes uit de tweede graad zelfstandig toepassen (o.a. ordenen, schematiseren, structureren).
9 in functionele situaties op adequate wijze spontaan en zelfstandig metingen uitvoeren.
10* spontaan en zelfstandig metingen, rekeningen en bewerkingen controleren.
 

3. Functionele informatieverwerving en -verwerking

  De leerlingen kunnen
11 relevante informatie in concrete situaties vinden, selecteren en gebruiken.
12 informatie uit uiteenlopend tekstmateriaal begrijpen en gebruiken.
13* spontaan gebruik maken van voor hen relevante informatie- en communicatietechnologie (ict).
 

4. Organisatiebekwaamheid

  De leerlingen
14 zien in dat ze keuzes moeten maken om hun leven adequaat te organiseren.
15 kunnen opdrachten zelfstandig plannen, organiseren, uitvoeren, evalueren en indien nodig bijsturen.
16 kunnen bij groepsopdrachten
 
  • overleggen en actief deelnemen
  • in teamverband instructies uitvoeren
  • reflecteren en bijsturen
 

5. Tijd- en ruimtebewustzijn

  De leerlingen
17 zien in op grond van de actualiteit en eigen ervaringen:
 
  • dat er een verband bestaat tussen verleden, heden en toekomst
  • dat er culturele verschillen zijn in het dagelijks leven van mensen
18 kennen relevante facetten van hun eigen streek.
19 kunnen belangrijke wereldproblemen herkennen en bespreken.
 

6. Maatschappelijk en ethisch bewustzijn, weerbaarheid en verantwoordelijkheid

  De leerlingen
20 kunnen solliciteren.
21 kennen in hun eigen regio de dienstverlening van de belangrijkste maatschappelijke instellingen en kunnen er gebruik van maken.
22 zien het belang in van maatschappelijk relevante formulieren en procedures.
23 kunnen maatschappelijk relevante formulieren lezen, invullen en controleren.
24 kunnen maatschappelijk relevante procedures toepassen.
25 kennen de voor hen relevante aspecten van de sociale wetgeving en het arbeidsrecht.
26 kunnen geld beheren en bankieren.
27 kunnen een gezinsbudget opmaken en reflecteren over het beheer ervan.
28 zien het belang in van levenslang leren.
29* zijn ingesteld op een bewust en verantwoord consumentengedrag.
30* zijn verkeersverantwoordelijk.
31* zijn gemotiveerd om te zorgen voor de eigen gezondheid en het eigen welzijn en dat van anderen.
32* nemen spontaan een veilige houding aan in dagelijkse situaties.
 

7. Wetenschap en samenleving (Eindtermen Natuurwetenschappen)

Deze eindtermen zijn in voege vanaf 1 september 2014 voor het eerste leerjaar en vanaf 1 september 2015 voor het tweede leerjaar.

  De leerlingen
33. illustreren hoe natuurwetenschappen kunnen bijdragen tot een duurzame globale en lokale leefomgeving;
34. natuurwetenschappelijke verschijnselen verbinden met toepassingen uit de leefwereld;
35. weergeven dat bij de voortplanting van de mens erfelijke kenmerken van generatie op generatie worden overgedragen;
36. wetenschappelijk onderbouwde argumenten geven voor biologische evolutie.

Uitgangspunten

1. Krachtlijnen

De derde graad BSO heeft de bedoeling de leerlingen meer arbeidskansen te bieden.

Voor vele leerlingen, van wie ongeveer de helft al meerderjarig is in het eerste leerjaar, beperkt de derde graad zich tot de twee eerste leerjaren. Om toch voor alle leerlingen een maatschappelijke basisvorming te garanderen worden de eindtermen geformuleerd op het niveau van het tweede leerjaar.

Ondanks de vele stromingen die al jaren integrale opvoeding en onderwijs propageren is tot op heden het onderwijssysteem nog altijd gebaseerd op het traditioneel vakgerichte model.

De hedendaagse maatschappij verwacht van de school dat zij de totale persoon opleidt en opvoedt. In ons onderwijs bestaan er al initiatieven van vakoverstijgend werken, zoals de geïntegreerde proef, vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen en occasionele projecten, die echter de traditionele vakkensplitsing nog niet doorbreken.

PAV in het beroepsonderwijs doet dat wel en bouwt die integratie structureel en systematisch in de wekelijkse lessentabel in.

Begin de jaren '80 werd Project Algemene Vakken als keuzemogelijkheid in de lessentabellen van het BSO ingevoerd.

Overtuigd van de meerwaarde van een samenhangend curriculum, promoot de overheid deze gebundelde presentatie. Ze laat de onderwijsverstrekkers echter de volledige vrijheid om de doelen na te streven met PAV, door middel van afzonderlijke vakken of door thematisch geïntegreerd verwerken van de leerdoelen van een aantal individuele vakken. Door een gebundelde presentatie wil de overheid enkel de kans op een samenhangend curriculum vergroten o.a. omdat blijkt dat hierdoor de leerlingen sterker voor algemene vakken gemotiveerd worden. Welke keuze men als onderwijsverstrekker ook maakt de leerplannen zullen doelstellingen bevatten die gebaseerd zijn op dezelfde eindtermen. Om die reden is er voor gezorgd dat de eindtermen niet alleen bruikbaar zijn voor PAV maar ook verkavelbaar zijn naar afzonderlijke vakken.

1.1 Leerlingkenmerken

De leerlingengroep in de derde graad BSO is minder heterogeen dan in de tweede graad BSO. Toch blijven de verschillen groot. De instroom gebeurt vanuit verschillende onderwijsvormen. De heterogeniteit blijkt ook uit de diversiteit van leeftijd, van verstandelijke mogelijkheden, van leermogelijkheden, van vooropleiding, van leerachterstanden, van integratie of desintegratie in een schoolcultuur, ...

Deze verscheidenheid wordt bovendien doorkruist door sociaal-cultureel-economische factoren. Hierdoor voelen bepaalde leerlingen zich meer aangetrokken door de BSO-schoolcultuur wegens de eigen subcultuur. Andere leerlingen voelen een vervreemding van de eigen subcultuur wegens diezelfde BSO-schoolcultuur. De eerste groep leerlingen is afkomstig uit een milieu waar een zeer directe en concrete taal primeert die het doorgroeien naar het meer abstract talig handelen verhindert; de tweede groep leerlingen is afkomstig uit een milieu waar zeer veel taalstimulering werd gegeven en de geschreven taal geïntegreerd is in het dagelijks leven.

1.2 Weerbaarheid en sociale vaardigheid

Er is een groeiende tendens naar een snellere zelfstandigheid, zowel op het gebied van arbeid/inkomen (consument) als inzake relaties/verhoudingen. Een inleiding tot en een begeleiding van dit intermenselijk acteren is daarom noodzakelijk.

Het is niet de bedoeling de opvoedende taak van de ouders over te hevelen naar het onderwijs. PAV biedt mogelijkheden om leerlingen te initiëren in en te begeleiden bij de ontwikkeling van weerbaarheid en sociale vaardigheden.

Centraal in de basisvorming van jongeren in het BSO staat de bekommernis om hen te begeleiden in hun individuele persoonlijkheidsontwikkeling en in hun sociale vorming, zodat ze zowel in de context van hun persoonlijk leven en professioneel leven als in het kader van hun deelname aan het maatschappelijk leven adequaat en zelfredzaam kunnen optreden en handelen.

Dit veronderstelt het verwerven van vaardigheden en attitudes, steunend op functionele kennis en inzicht, met de bedoeling de leerlingen zowel fysiek als psychisch weerbaar en sociaal vaardig te maken om goed te kunnen functioneren binnen de verscheidenheid van de democratische multiculturele samenleving van vandaag en hen degelijk voor te bereiden op de uitdagingen van de maatschappij van morgen.

In onze razendsnel evoluerende maatschappij is een continu aanpassingsvermogen en een levenshouding gericht op "levenslang leren" een noodzaak.

Daarom is "levensecht leren" het hoofdkenmerk in de persoonlijkheidsvorming en bij de ondersteuning van de beroepsopleiding. In de derde graad zal nog intenser aandacht besteed worden aan een mogelijke voorbereiding op verdere specialisatie of ontwikkeling, al dan niet door gestructureerd vervolgonderwijs zoals volwassenenonderwijs, nascholing in het bedrijfsleven zelf, ...

1.3 Integratie van herkenbare inhouden

Het is helemaal niet vanzelfsprekend om basisvaardigheden aangeleerd in het ene vak aan te wenden in een ander vak. Met PAV verwerken de leerlingen de bundeling van levensechte en herkenbare inhouden als één geheel, zoals zij ook de realiteit van het leven als één geheel ervaren, in een logische samenhang. Dit aangepaste leerpakket is gericht op de concrete toepassing in het dagelijkse leven van de jongeren. Op die manier verhoogt hun interesse voor en hun inzicht in mens en maatschappij, zodat zij beter uitgroeien tot mondige, weerbare, vaardige en geëngageerde deelnemers aan de samenleving. Zij verwerven aldus de nodige vaardigheden.

1.4 Accentueren van vaardigheden en attitudes

In PAV wordt de nadruk gelegd op vaardigheden en attitudes die zelfstandige verwerking van de vakcomponenten en de waardeopvoeding ondersteunen.

1.5 Leerlingbegeleiding

In PAV krijgt een leraar in hoge mate de mogelijkheid om te werken aan een vertrouwensrelatie met de leerlingen. Het geloof in hun leraar als mens en dit vertrouwen in hun leraar-opvoeder als ankerfiguur is voor beroepsleerlingen een absolute voorwaarde om gemotiveerd te werken aan hun eigen leerproces. Het "verborgen leerplan" van deze jongeren is doorweven met een grote hoeveelheid niet-cognitieve, morele en gevoelsmatige aspecten die zij aangesproken willen voelen vooraleer bij hen sprake kan zijn van interesse, motivatie en engagement.

Een dergelijke sfeer is meteen een vruchtbare voedingsbodem voor zelfconceptverheldering en ethische waardevorming.

1.6 Functionele doelen

Wat de doelen betreft heeft de overheid geopteerd voor een goed geselecteerd geheel van in hoofdzaak functionele vaardigheden voor alle leerlingen ongeacht de studierichting. Met functioneel wordt bedoeld dat de vaardigheden toepasbaar moeten zijn in maatschappelijke situaties en in beroepsgerichte situaties. Ze kunnen didactisch ingekleurd worden volgens de interesse van de leerlingen, in aansluiting op de beginsituatie en op hun leef- en leersituatie. Dit vertaalt zich in aangepaste voorbeelden, in tekstmateriaal, in het niveau van beheersing, ...

De verticale opbouw van PAV is afgestemd op het groeiproces van de leerling en beoogt zijn groei naar zelfstandigheid.

1.7 Remediëring

PAV in de derde graad BSO biedt ruime mogelijkheden voor vaardigheidsremediëring, met name de remediëring om de noodzakelijke basisvaardigheden te verwerven en te gebruiken. De klemtoon ligt vooral op het trainen van de instrumentele vaardigheden en niet op het remediëren van het inzicht in de basistechnieken.

Enkel vanuit een krachtige leeromgeving, die door de leerling als levensecht ervaren wordt, kan er geremedieerd worden. Hierdoor verschilt de remediëring in de derde graad in wezen niet fundamenteel van die in de tweede graad. In de derde graad blijft de remediëring voornamelijk selectief en vraaggestuurd door de leerling. Enkel bij situaties waarin het bereiken van de funderende doelstellingen in het gedrang zou komen, kan er selectief en occasioneel geremedieerd worden op initiatief van de leraar.

1.8 Geïntegreerde informatie- en communicatietechnologie

Het belang dat aan ict gehecht wordt, mag niet de indruk geven dat wordt aangestuurd op een autonoom vak of vakonderdeel.

Ict in PAV omvat de informatie- en communicatietechnologie zoals deze steeds meer verweven is in ons dagelijks leven: het werken met tekst of met gegevens (al of niet cijfermatig) via een computer, nieuwe mogelijkheden om met elkaar in verbinding te treden, via elektronische kaarten gegevens opvragen, zich kenbaar maken, zich laten registreren, toegang krijgen tot, ...

Kerndoel is dus niet ict op zich, maar wel ict in die mate dat het elke burger beïnvloedt en zo een drempel dreigt te worden voor wie op dit gebied niet "geletterd en gecijferd" is.

2. Funderende doelstellingen

De visie op PAV zoals weergegeven in de krachtlijnen wordt verder geconcretiseerd in de volgende funderende doelstellingen.

  1. Functioneel taalvaardig zijn.
  2. Functioneel rekenvaardig zijn.
  3. Informatie functioneel verwerven en verwerken.
  4. Organisatiebekwaam zijn.
  5. Tijd- en ruimtebewustzijn.
  6. Maatschappelijk en ethisch bewust, weerbaar en verantwoordelijk zijn.

3. Selectiecriteria voor en structurering van de eindtermen

3.1 Selectiecriteria

De legitimering voor de keuze van de eindtermen kan gevonden worden bij de leerlingkenmerken zelf. Er is naar doelen gezocht die de leerlingen kunnen motiveren. De doelen worden effectief bereikt als de leerlingen ze als zinvol, nuttig en aangenaam ervaren. Dit houdt in dat men vertrekt vanuit herkenbare situaties uit hun belevingswereld en streeft naar toepassingsgerichtheid. Daarenboven moeten de probleemsituaties voldoende uitdagend zijn en hun nieuwsgierigheid opwekken. Belangrijk voor hun zelfconcept is dat ze voor problemen die ze als moeilijk maar toch als belangrijk ervaren, de zogenaamde kritische incidenten, zinvolle oplossingen kunnen vinden. Hiervoor moeten leerlingen de kritische incidenten leren omschrijven, kritisch bekijken en strategieën, vaardigheden en attitudes ontwikkelen om er mee om te gaan. De eindtermen moeten dit proces mogelijk maken en stimuleren.

De eindtermen zijn geselecteerd met het oog op de dagelijkse werkelijkheid. Het gaat hier om kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes gericht op de persoonlijke ontwikkeling en het functioneren in een multiculturele en pluralistische samenleving. Dit betekent ook dat ze leren op een kritisch creatieve manier te participeren aan het maatschappelijk leven. Dit impliceert meteen dat de jongeren voldoende basisvaardigheden verwerven die later in het kader van het levenslang leren nog aangevuld kunnen worden.

De eindtermen zijn tevens aangepast aan de leeftijd van de leerlingen en de ontwikkeling die ze doormaken. Jongeren evolueren van een eerder zelfbetrokken ingesteldheid in de eerste graad naar een grotere openheid om in groep te functioneren in de derde graad.

Ten slotte zijn de eindtermen gericht op intermenselijk bewustzijn en burgerlijke verantwoordelijkheid. In een steeds nadrukkelijkere en complexere ordening van samenlevingsverbanden - zowel op het vlak van arbeidsrecht, sociale wetgeving en sociale zekerheid, als op intermenselijk vlak - wordt elementaire kennis van rechten en plichten een onmiskenbaar gegeven om de burgerlijke verantwoordelijkheid te kunnen opnemen.

De te verwerven eindtermen kunnen gerealiseerd worden door middel van diverse onderwerpen. Bewust worden binnen PAV deze onderwerpen niet omschreven. Enerzijds hebben de onderwijsverstrekkers de volledige vrijheid om zelf te bepalen met welke onderwerpen of thema's ze de eindtermen van PAV wensen na te streven. Anderzijds kunnen er heel wat onderwerpen geput worden uit de vakoverschrijdende eindtermen: op die manier wordt rekening gehouden met de studiebelasting. De eindtermen moeten immers realiseerbaar zijn en er moet voldoende ruimte overblijven voor de eigen lokale inbreng. Tegelijkertijd heeft PAV een fundamentele inbreng en speelt PAV een geprivilegieerde rol bij het realiseren van de vakoverschrijdende eindtermen.

3.2 Structurering

Er zijn verschillende benaderingen mogelijk om de eindtermen binnen PAV te ordenen. Hier werd geopteerd om de eindtermen te groeperen volgens de geformuleerde funderende doelstellingen. Daarmee wordt het verband duidelijk tussen de funderende doelstellingen en de eindtermen. De eindtermen zijn op deze manier ook verkavelbaar naar afzonderlijke vakken.

3.2.1 Functionele taalvaardigheid

De eindtermen voor taal in het BSO hebben betrekking op het maatschappelijk voldoende communicatief vaardig zijn in normale en functionele situaties eventueel met ondersteuning van gepaste hulpmiddelen. Taalvaardigheid beoogt steeds de gewenste effecten van de communicatie.

3.2.2 Functionele rekenvaardigheid

Om in de huidige maatschappij functioneel rekenvaardig te zijn moet men vaardig zijn op drie domeinen. Men moet kunnen schatten, meten en rekenen in diverse situaties die in het dagelijkse leven voorkomen eventueel met ondersteuning van gepaste hulpmiddelen. Men moet logisch kunnen denken ten aanzien van reële problemen. Men moet de resultaten van het wiskundig handelen kunnen evalueren om effectief te handelen.

3.2.3 Functionele informatieverwerving en -verwerking

De informatiestroom is overweldigend. Anderzijds is broodnodige informatie soms moeilijk te vinden. Jongeren moeten hun informatiebehoefte kunnen omschrijven om daarna gericht te leren zoeken via diverse wegen. Hierbij leren ze zinvol selecteren, zodat de gevonden informatie in dienst staat van hun behoefte.

3.2.4 Organisatiebekwaamheid

Het zeer drukke en snelle leven moet voor elke burger beheersbaar blijven. Daarom zullen jongeren leren hun leven en zichzelf te organiseren. Ook vanuit het bedrijfsleven is er hoe langer hoe meer vraag naar organisatiebekwame medewerkers. Jongeren hebben behoefte aan het leren plannen van hun activiteiten. Hierbij moeten ze leren rekening houden met het tijdgebruik, beschikbare ruimte, noden en eisen van anderen, materiële vereisten en hun persoonlijke mogelijkheden.

3.2.5 Tijd- en ruimtebewustzijn

De maatschappijorganisatie, met haar greep op het leven van het individu, vereist dat jongeren de grote lijnen van de maatschappelijke structuren en organisaties kennen. Bovendien wordt het menselijk handelen beïnvloed door wat vooraf ging en hypothekeert het op zijn beurt de toekomst. Dit inzicht is nodig om enerzijds het eigen inzicht te relativeren en anderzijds verantwoord te ageren voor hen die na ons komen. Om maatschappelijke gebeurtenissen, in een wereld die als een dorp geworden is, te begrijpen, te situeren, is ook ruimtelijk inzicht noodzakelijk. De jongeren zijn in de eerste plaats betrokken op de eigen omgeving, maar ontdekken geleidelijk aan dat de ruimere omgeving evengoed hun onmiddellijk maatschappelijk functioneren beïnvloedt.

3.2.6 Maatschappelijk en ethisch bewustzijn, weerbaarheid en verantwoordelijkheid

Het is van prioritair belang dat de leerlingen van het BSO zich bewust zijn van de maatschappelijke realiteit en dat ze een ethisch bewustzijn ontwikkelen. Jongeren hebben nood aan een aantal vaardigheden die hen weerbaar maken in deze maatschappij. Door het verwerven en verder ontwikkelen van deze vaardigheden zijn ze in staat hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op een ethisch verantwoorde manier op te nemen.

4. Coördinatie

4.1 Verticale samenhang

Bij het opstellen van de eindtermen voor PAV in de derde graad werd rekening gehouden met de eindtermen van de tweede graad. Zowel in de tweede als derde graad staan basisvaardigheden en maatschappelijke doelen centraal. In de derde graad worden ze verder uitgediept, neemt de moeilijkheidsgraad toe, worden ze aangeboden in complexere maatschappelijke contexten en evolueert het leerproces van onder begeleiding "naar zelfstandig".

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen individuele opdrachten van beperkte omvang onder begeleiding organiseren, uitvoeren en evalueren. (Tweede graad SO: PAV, eindterm 21.)

    De leerlingen kunnen opdrachten zelfstandig plannen, organiseren, uitvoeren, evalueren en indien nodig bijsturen. (Derde graad SO: PAV, eindterm 15.)
  1. De leerlingen kunnen hun zakgeld beheren. (Tweede graad SO: PAV, eindterm 24.)

    De leerlingen kunnen een gezinsbudget opmaken en reflecteren over het beheer ervan. (Derde graad SO: PAV, eindterm 27.)

4.2 Horizontale samenhang

Vooreerst wordt de horizontale samenhang gerealiseerd binnen het curriculum zelf. PAV omspant een geheel van vaardigheden en maatschappelijke doelen op een geïntegreerde wijze. Deze horizontale samenhang overstijgt in ruime mate elke vorm van geïntegreerd of gecoördineerd werken tussen traditionele vakken.

Een tweede vorm van horizontale samenhang ligt in de combinatie van PAV en de vakoverschrijdende eindtermen. Deze laatste hebben voor een groot deel betrekking op maatschappelijke doelen en op vaardigheden die ook precies in PAV centraal staan.

Een derde vorm van horizontale samenhang ligt in de mogelijkheid om in PAV didactische inkleuring in te bouwen met betrekking tot de beroepsgerichte vorming. Die kan gaan van eenvoudige voorbeelden uit de beroepswereld tot aansluiting bij de geïntegreerde proef.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen bij groepsopdrachten
  • overleggen en actief deelnemen;
  • ...

(Derde graad SO: PAV, eindterm 16.)

De leerlingen kunnen samen overleggen over en keuzes maken uit het mogelijke activiteitenaanbod van de school. (Derde graad SO: lichamelijke opvoeding, eindterm 24.)

  1. De leerlingen kennen in hun eigen regio de dienstverlening van de belangrijkste maatschappelijke instellingen en kunnen er gebruik van maken. (Derde graad SO: PAV, eindterm 21.)

De leerlingen kunnen informatie verzamelen over de maatschappelijke opdracht, het aanbod en de werking van maatschappelijke diensten en instellingen en van specifieke hulp- en informatiediensten voor jongeren. (Derde graad SO: opvoeden tot burgerzin, eindterm 9.)

 

Basisvorming, specifiek gedeelte en complementair gedeelte

Voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs onderscheidt men in de studierichtingen naast de basisvorming en het specifiek gedeelte, het complementaire gedeelte.

  • Voor de basisvorming zijn er vakgebonden eindtermen geformuleerd. Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Voor het gewoon secundair onderwijs worden ze vastgelegd per graad en per onderwijsvorm. Naast de vakgebonden eindtermen zijn er ook vakoverschrijdende eindtermen.
  • Voor de basisvorming van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad zijn er ontwikkelingsdoelen. geformuleerd. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. Ontwikkelingsdoelen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn.
  • Voor het specifiek gedeelte van een opleiding worden specifieke eindtermen ontwikkeld. Dit zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten en/of als beginnend beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren.
  • Specifieke eindtermen zijn momenteel ontwikkeld voor het ASO. De specifieke eindtermen voor de pool topsport gelden ook voor het TSO.

De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad.

 

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 23.06.2000 en in de codex secundair onderwijs.