Derde graad - BSO - Derde leerjaar - Project algemene vakken

Vakgebonden eindtermen

 

1. Functionele tekstgeletterdheid

  De leerlingen kunnen
1 uit diverse tekstsoorten relevante informatie selecteren.
2 voor een specifieke opdracht uit verschillende soorten teksten informatie vergelijken en integreren.
3 beknopt en duidelijk schriftelijk rapporteren.
4 maatschappelijk relevante tekstinformatie praktisch aanwenden.
5 maatschappelijk relevante tekstinformatie kritisch beoordelen.
6* over maatschappelijk relevante tekstinformatie een eigen standpunt innemen, rekening houdend met ethische principes.
 

2. Functionele kwantitatieve geletterdheid

  De leerlingen kunnen
7 uit tabellen, grafieken, diagrammen of kaarten, relevante informatie selecteren.
8 voor een specifieke opdracht kwantitatieve gegevens selecteren en bewerken.
9 voor twee variabelen, informatie in een aangepaste grafische vorm weergeven.
10 maatschappelijk relevante kwantitatieve informatie praktisch aanwenden.
11 maatschappelijk relevante kwantitatieve informatie kritisch beoordelen.
12* over maatschappelijk relevante kwantitatieve informatie een eigen standpunt innemen, rekening houdend met ethische principes.
 

3. Functionele ict-geletterdheid

  De leerlingen kunnen
13 bij algemeen gebruik van de computer structurerend en efficiënt werken.
14 voor een specifieke opdracht twee of meer programma’s selecteren en gebruiken en de resultaten ervan integreren tot één product.
15 informatie selecteren uit twee verschillende of gelijke ict-bronnen en deze informatie integreren.
16 maatschappelijk relevante ict-toepassingen gebruiken.
17 maatschappelijk relevante informatie, met behulp van ict ingewonnen, kritisch beoordelen.
18* over maatschappelijk relevante informatie ingewonnen met behulp van ict, een eigen standpunt innemen rekening houdend met enerzijds ethische principes en anderzijds deontologische principes met betrekking tot auteursrecht, privacy, beveiliging.
 

4. Problemen oplossen

  De leerlingen kunnen
19 zelfstandig de essentie van een probleem vatten en omschrijven.
20 bij een probleem beïnvloedende factoren achterhalen, ze vervolgens volgens belangrijkheid rangschikken en de relaties ertussen aangeven.
21 voor een probleemstelling de meest geschikte oplossingsstrategie kiezen.
22 een planning opmaken en ze uitvoeren.
23 bij elke stap de gevolgde strategie evalueren en eventueel bijsturen.
24 het resultaat van het proces evalueren en de gevolgde strategie optimaliseren.
25 bij het oplossen van problemen rekening houden met comfort, veiligheid en hygiëne.
 

5. Werken in teamverband

  De leerlingen kunnen
26 met het oog op een te bereiken doel over de aanpak, de taakverdeling en de verantwoordelijkheden van een groepsopdracht overleggen en onderhandelen.
27 zich bij een groepsopdracht constructief aansluiten bij een in team genomen beslissing.
28 de eigen taken van een groepsopdracht volgens afspraken uitvoeren.
29 de eigen bijdrage, zowel qua proces als qua product, tussentijds evalueren en eventueel bijsturen.
30 over de eigen bijdrage aan een groepsopdracht beknopt verslag uitbrengen en erover communiceren.
31 het groepsresultaat en de teamwerking bespreken met het oog op conclusies over de eigen interactievaardigheden.
32* empathie, loyauteit en wederzijds respect tonen.

Uitgangspunten

1. Krachtlijnen

Het derde leerjaar van de derde graad BSO is een facultatief leerjaar. De leerlingen zijn niet meer leerplichtig en zijn meestal meerderjarig. Voor deze leerlingengroep is het essentieel na te gaan welke elementen in de basisvorming noodzakelijk zijn. Het gaat hierbij om nieuwe vaardigheden en om uitdieping van vaardigheden van de basisvorming uit de voorgaande leerjaren. Er worden geen nieuwe kennisinhouden aangereikt, tenzij daar waar strikt nodig.

Jongeren dienen voorbereid te worden op de snel veranderende maatschappij. Hiervoor moeten zij beschikken over breed inzetbare vaardigheden en attitudes die hen toelaten efficiënt te functioneren in persoonlijke, maatschappelijke, leer- en werksituaties. Deze vaardigheden en attitudes dienen ondersteunend te zijn voor levenslang en levensbreed leren. Het gaat hierbij om functionele geletterdheid en om vaardigheden met betrekking tot problemen oplossen en werken in teamverband.

Voor functionele geletterdheid sluiten de eindtermen aan bij functionele taalvaardigheid, functionele rekenvaardigheid en functionele informatieverwerving en -verwerking. Voor problemen oplossen en werken in teamverband sluiten de eindtermen aan bij deze voor organisatiebekwaamheid en tijd- en ruimtebewustzijn. Eindtermen met betrekking tot het maatschappelijk en ethisch bewustzijn, weerbaarheid en verantwoordelijkheid worden geïntegreerd in de verschillende domeinen vooral als attitudes.

Functionele geletterdheid bestaat uit drie componenten:

  • vaardigheden met betrekking tot het selecteren, het integreren en rapporteren van tekstgegevens;
  • vaardigheden met betrekking tot het selecteren, het integreren en het rapporteren van numerieke en grafische gegevens;
  • vaardigheden met betrekking tot het werken met de computer, selecteren en gebruiken van programmatuur en het selecteren en integreren en gebruiken van informatie.

Problemen oplossen omvat vaardigheden met betrekking tot beslissingen nemen, actie plannen, reflecteren, evalueren en bijsturen van handelingen.

Werken in teamverband omvat vaardigheden en attitudes met betrekking tot informeren, onderhandelen, plannen en organiseren, verantwoordelijkheid opnemen en zich houden aan gemaakte afspraken en evalueren.

2. Funderende doelstellingen

De visie op basisvorming zoals weergegeven in de krachtlijnen, wordt verder geconcretiseerd in de volgende funderende doelstellingen. Het versterken van :

  1. Functionele tekstgeletterdheid;
  2. Functionele kwantitatieve geletterdheid;
  3. Functionele ict-geletterdheid;
  4. Problemen oplossen;
  5. In teamverband werken.

3. Selectiecriteria voor de eindtermen

De funderende doelstellingen zijn sturend voor de keuze van de eindtermen. Er wordt eveneens rekening gehouden met de kenmerken van de doelgroep:

  • grote heterogeniteit qua vooropleiding;
  • grote heterogeniteit qua specialisaties;
  • grote heterogeniteit qua leeftijd;
  • meerderjarige leerlingen.

Eindtermen die in het verlengde liggen van de eindtermen voor het eerste en tweede leerjaar van de derde graad, worden op een hoger beheersingsniveau en in andere contexten geformuleerd.

De school brengt de leerlingen niet alleen inzicht bij, maar ontwikkelt ook attitudes en vaardigheden voor het levenslang en levensbreed leren.

4. Structurering van de eindtermen

Er zijn verschillende wijzen mogelijk om de eindtermen te ordenen. Hier werd geopteerd om de eindtermen te groeperen volgens de geformuleerde funderende doelstellingen. Daarmee wordt het verband duidelijk tussen de funderende doelstellingen en de eindtermen. Deze indeling en volgorde hebben uiteraard geen didactische consequenties en zijn niet bindend voor de uitwerking van de eindtermen in leerplannen.

4.1 Functionele tekstgeletterdheid

Met functionele tekstgeletterdheid wordt bedoeld: informatie kunnen begrijpen en gebruiken om te functioneren in de maatschappij, in leer- en beroepssituaties, om persoonlijke doelstellingen te bereiken en om persoonlijke kennis en vaardigheden te ontwikkelen. Het gaat hierbij om informatie uit diverse tekstsoorten zoals redactionele artikelen, nieuwsbrieven, handleidingen, fictie, sollicitatiebrieven, loonlijsten, transportschema’s.

Ook informatie schriftelijk op een efficiënte manier aan anderen verstrekken, komt aan bod.

4.2 Functionele kwantitatieve geletterdheid

Functionele kwantitatieve geletterdheid gaat verder dan functionele rekenvaardigheid en omvat meer dan het kunnen omgaan met cijfers. Het betekent hier in levensechte situaties omgaan – op basis van en met specifieke kennis, vaardigheden of attitudes – met alle soorten van informatie van kwantitatieve aard. Deze informatie kan betrekking hebben op hoeveelheden en cijfers, dimensies en vormen, patronen en relaties, verandering. Ze kan gepresenteerd worden onder de vorm van figuren, cijfers, symbolen, formules, diagrammen, kaarten, grafieken of tabellen.

4.3 Functionele ict-geletterdheid

Functionele ict-geletterdheid vereist dat leerlingen op een systematische en structurerende wijze omgaan met de computer (efficiënt bestandsbeheer, het gebruik van het (grafisch) besturingsprogramma), relevante programmatuur kiezen en gebruiken (bv. tekstverwerker versus elektronisch rekenblad), maatschappelijk relevante ict-toepassingen kritisch gebruiken (elektronisch betaalverkeer zoals het gebruik van de bankkaart, …) en gericht zoeken naar informatie.

De competenties op het vlak van functionele informatieverwerving verworven in de eerste twee leerjaren van de derde graad, situeren zich derhalve in het derde leerjaar op een hoger beheersingsniveau (zelfstandig en spontaan) en worden toegepast in andere contexten.

4.4 Problemen oplossen

Het oplossen van problemen veronderstelt analytisch en synthetisch denken. Voortbouwend op de vooropleiding, waar probleemoplossende en organisatie- en planningsvaardigheden aan bod kwamen, wordt "problemen oplossen" hier op een grotere schaal benaderd in levensechte situaties. Dit houdt in : een doel kunnen bepalen, een situatie kunnen analyseren, een planning kunnen uittekenen over een ruimer tijdsinterval, die stapsgewijze kunnen uitvoeren en evalueren en eventueel bijsturen.

4.5 Werken in teamverband

Vele menselijke activiteiten (beroep, vrijetijd, studeren) worden ontplooid in teamverband. In het werken in teamverband onderscheiden we onder andere de volgende stappen : plannen en onderhandelen, taken verdelen, verantwoordelijkheid opnemen en informatie uitwisselen. Hierbij wordt aandacht besteed aan luister- en spreekvaardigheden.

5. Coördinatie

5.1 Verticale samenhang

Bij het opstellen van de eindtermen voor PAV in de derde graad werd rekening gehouden met de eindtermen van de tweede graad. Zowel in de tweede als derde graad staan basisvaardigheden en maatschappelijke doelen centraal. In de derde graad worden ze verder uitgediept, neemt de moeilijkheidsgraad toe, worden ze aangeboden in complexere maatschappelijke contexten en evolueert het leerproces van onder begeleiding "naar zelfstandig".

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen individuele opdrachten van beperkte omvang onder begeleiding organiseren, uitvoeren en evalueren. (Tweede graad SO: PAV, eindterm 21.)

    De leerlingen kunnen opdrachten zelfstandig plannen, organiseren, uitvoeren, evalueren en indien nodig bijsturen. (Derde graad SO: PAV, eindterm 15.)
  1. De leerlingen kunnen hun zakgeld beheren. (Tweede graad SO: PAV, eindterm 24.)

    De leerlingen kunnen een gezinsbudget opmaken en reflecteren over het beheer ervan. (Derde graad SO: PAV, eindterm 27.)

5.2 Horizontale samenhang

Vooreerst wordt de horizontale samenhang gerealiseerd binnen het curriculum zelf. PAV omspant een geheel van vaardigheden en maatschappelijke doelen op een geïntegreerde wijze. Deze horizontale samenhang overstijgt in ruime mate elke vorm van geïntegreerd of gecoördineerd werken tussen traditionele vakken.

Een tweede vorm van horizontale samenhang ligt in de combinatie van PAV en de vakoverschrijdende eindtermen. Deze laatste hebben voor een groot deel betrekking op maatschappelijke doelen en op vaardigheden die ook precies in PAV centraal staan.

Een derde vorm van horizontale samenhang ligt in de mogelijkheid om in PAV didactische inkleuring in te bouwen met betrekking tot de beroepsgerichte vorming. Die kan gaan van eenvoudige voorbeelden uit de beroepswereld tot aansluiting bij de geïntegreerde proef.

Voorbeelden

  1. De leerlingen kunnen bij groepsopdrachten
  • overleggen en actief deelnemen;
  • ...

(Derde graad SO: PAV, eindterm 16.)

De leerlingen kunnen samen overleggen over en keuzes maken uit het mogelijke activiteitenaanbod van de school. (Derde graad SO: lichamelijke opvoeding, eindterm 24.)

  1. De leerlingen kennen in hun eigen regio de dienstverlening van de belangrijkste maatschappelijke instellingen en kunnen er gebruik van maken. (Derde graad SO: PAV, eindterm 21.)

De leerlingen kunnen informatie verzamelen over de maatschappelijke opdracht, het aanbod en de werking van maatschappelijke diensten en instellingen en van specifieke hulp- en informatiediensten voor jongeren. (Derde graad SO: opvoeden tot burgerzin, eindterm 9.)

Basisvorming, specifiek gedeelte en complementair gedeelte

Voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs onderscheidt men in de studierichtingen naast de basisvorming en het specifiek gedeelte, het complementaire gedeelte.

  • Voor de basisvorming zijn er vakgebonden eindtermen geformuleerd. Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Voor het gewoon secundair onderwijs worden ze vastgelegd per graad en per onderwijsvorm. Naast de vakgebonden eindtermen zijn er ook vakoverschrijdende eindtermen.
  • Voor de basisvorming van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad zijn er ontwikkelingsdoelen. geformuleerd. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. Ontwikkelingsdoelen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn.
  • Voor het specifiek gedeelte van een opleiding worden specifieke eindtermen ontwikkeld. Dit zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten en/of als beginnend beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren.
  • Specifieke eindtermen zijn momenteel ontwikkeld voor het ASO. De specifieke eindtermen voor de pool topsport gelden ook voor het TSO.

De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad.

 

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 23.06.2000 en in de codex secundair onderwijs.