Derde graad - ASO - Specifieke eindtermen - Wiskunde

Uitgangspunten

De decretale specifieke eindtermen wiskunde hebben betrekking op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes waarmee leerlingen:

  • verbanden leggen tussen wiskunde en praktische toepassingen uit het dagelijkse leven en zo relaties leggen met problemen uit maatschappij, wetenschap en techniek;
  • verbanden leggen binnen de wiskunde en daarmee hun wiskundig kader meer systematisch ordenen;
  • een wiskundig denken en redeneren ontwikkelen, d.w.z. een wiskundig eigen wijze van:
    • bevragen, onderzoeken en formuleren van vermoedens;
    • modelleren en structureren;
    • argumenteren en bewijzen;
  • gesloten en open problemen wiskundig kunnen stellen en analyseren, en oplossingen argumenteren en bespreken;
  • communiceren over wiskundig beschreven situaties, met inbegrip van het vlotte gebruik van meer specifieke wiskundetaal;
  • kritisch reflecteren op denken en handelen.

Inhoudelijk kader

De decretale specifieke eindtermen ontlenen hun inhouden uit:

  • algebra;
  • analyse;
  • meetkunde;
  • discrete wiskunde;
  • statistiek en kansrekening;
  • wiskunde en cultuur.

Er moet aandacht besteed worden aan:

  • een efficiënte conceptvorming;
  • een adequaat en meer geformaliseerd taalgebruik;
  • de ontwikkeling van meer specifieke wiskundige methoden en werkwijzen;
  • een accuraat aanwenden van heuristiek en probleemoplossende vaardigheden;
  • een zinvol gebruik van ict;
  • een meer systematische ordening van de domeinspecifieke kennis.

Deze vorming stelt leerlingen dan ook in staat door te stromen naar vervolgonderwijs met een sterke wiskundige component.

Overzicht

A. Algebra

De leerlingen kunnen

  1. delingen van veeltermen uitvoeren en het binomium van Newton gebruiken;
  2. complexe getallen meetkundig voorstellen en er bewerkingen mee uitvoeren;
  3. vierkantsvergelijkingen in één complexe onbekende oplossen;
  4. met behulp van matrices problemen wiskundig modelleren en oplossen;
  5. de basiseigenschappen van een reële vectorruimte (beperkt tot dimensie 2 en 3) herkennen en gebruiken.

B. Analyse

De leerlingen kunnen

  1. het verloop van een functie onderzoeken, in het bijzonder voor veelterm-functies en voor rationale, irrationale, goniometrische, exponentiële en logaritmische functies, met beperking van de moeilijkheidsgraad;
  2. een definitie formuleren voor begrippen uit de analyse en de samenhang met hun gebruik in toepassingen aangeven;
  3. de eerste en de tweede afgeleide van functies berekenen en ze in concrete situaties gebruiken;
  4. de bepaalde en de onbepaalde integraal van functies berekenen en ze in concrete situaties gebruiken;
  5. met behulp van de beschikbare analysekennis problemen wiskundig modelleren en oplossen;
  6. bij het oplossen van vergelijkingen of ongelijkheden, het omvormen van functievoorschriften, het berekenen van afgeleiden of integralen op een verantwoorde wijze gebruik maken van rekenregels, formules en manuele rekentechnieken;
  7. bij het onderzoeken van functies, het oplossen van vergelijkingen of ongelijkheden, bij berekeningen van afgeleiden en integralen en bij het oplossen van problemen geformuleerd met behulp van functies op een verantwoorde wijze gebruik maken van ict-middelen.

C. Meetkunde

De leerlingen kunnen

  1. rechten en vlakken door vergelijkingen voorstellen en hun onderlinge ligging bespreken;
  2. afstanden tussen punten, rechten en vlakken berekenen;
  3. meetkundige problemen met diverse hulpmiddelen voorstellen en oplossen.

D. Statistiek en kansrekening

De leerlingen kunnen

  1. wetten van de kansrekening toepassen voor onafhankelijke en voor afhankelijke gebeurtenissen;
  2. de binomiale verdeling of de normale verdeling gebruiken als model bij een kansexperiment.

E. Discrete wiskunde

De leerlingen kunnen

  1. telproblemen of problemen met betrekking tot discrete veranderings-processen wiskundig modelleren en oplossen.

F. Wiskunde en cultuur

De leerlingen kunnen

  1. inzicht verwerven in de bijdrage van wiskunde tot de ontwikkeling van exacte en humane wetenschappen, techniek, kunst en het kritische denken.

G. Onderzoekscompetentie

De leerlingen kunnen

  1. zich oriënteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken;
  2. een onderzoeksopdracht met een wiskundige component voorbereiden, uitvoeren en evalueren;
  3. de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten.

Er zijn momenteel specifieke eindtermen ontwikkeld voor het specifieke gedeelte van opleidingen (studierichtingen) uit het algemeen secundair onderwijs (ASO). De specifieke eindtermen topsport zijn ook geldig voor de opleidingen met topsport in het technisch secundair onderwijs (TSO). Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten.

De specifieke eindtermen werden ontwikkeld op basis van studieprofielen. Een studieprofiel concretiseert de algemene kenmerken van een wetenschapsdomein.

Specifieke eindtermen zijn geordend per pool. Elke pool is rechtstreeks verbonden met een bepaald studieprofiel. De pool bevat de einddoelen (specifieke eindtermen) die voor dit wetenschapsdomein haalbaar zijn in de tweede en/of derde graad. Het specifiek gedeelte van een opleiding (studierichting) bestaat uit één of twee polen.

Omdat specifieke eindtermen altijd voor het einde van de derde graad worden geformuleerd zijn er tussen de onderwijsoverheid en de onderwijskoepels afspraken gemaakt over de doelen die op het einde van de tweede graad voor het ASO moeten worden bereikt, de zogenaamde cesuurdoelen.

Veelgestelde vragen

Meer informatie over specifieke eindtermen vindt u in de regelgeving.

Besluit Vlaamse regering

De eindtermen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 16.09.2005 en in de codex secundair onderwijs.