Buitengewoon lager onderwijs type 7 - Wiskundige initiatie

Uitgangspunten

Het is altijd boeiend kinderen te zien spelen. Ze gaan werkelijk op in hun activiteit en beleven hun 'werk' of 'spel' als een totaliteit. In zo'n 'werk'- of 'spelsituatie' zijn uiteraard ook wiskundige activiteiten vervat. Denken we bijvoorbeeld aan een kennismakingssituatie in het begin van het schooljaar waarbij kleuters worden gemeten. Op een later moment wordt nagegaan hoeveel ze gegroeid zijn. Of de Sint heeft fruit en snoep gebracht. Hoe gaan we dit verdelen? Of we spelen winkeltje. Kunnen we het fruit wegen? Of laten we een kamp bouwen. Eerst wel even zoeken naar een geschikte ruimte.

Wiskundige ontwikkeling stimuleren is in de eerste plaats kleuters de kans geven om in een 'rijke' en 'stimulerende' omgeving wiskundig actief te zijn. Dit betekent dat ze met verscheidene materialen en in verschillende situaties ervaringen kunnen opdoen met tellen, ordenen, vergelijken, meten, ruimte en tijd, construeren van dingen. Als bovendien de situaties en materialen geënt zijn op het leven van alledag is dit voor de kleuters herkenbaar en erg levensnabij.

Kijken we naar kleuters die in een zandtafel of in een zandbak een knikkerbaan of een kasteel willen maken. Zand is hier het basismateriaal, daarmee kunnen ze gaan exploreren, grachten graven, hopen maken, grote en kleine torens bouwen, het zand transformeren door er water bij te voegen, andere materialen toevoegen (bv. plasticfolie, zodat het water niet kan doordringen), Kortom, de kinderen handelen, voeren uit, proberen en krijgen besef van materialen, stoffen, gewicht, hoogte, grootte, aantallen,

Tijdens zo'n activiteit valt het op dat kleuters voortdurend commentaar geven, zij verwoorden de eigen activiteiten en handelingen. Zo wordt niet alleen de begripsvorming gestimuleerd, maar bouwen ze ook korte kleine redeneringen op die in de wiskundige ontwikkeling van groot belang zijn. Soms is het voor een aantal kinderen nodig deze 'commentaarmomenten' uit te lokken door vragen te stellen of hen hun activiteit te laten verklaren, omdat zij daar uit zichzelf niet toe komen. Zo bouwen kleuters stilaan 'wiskundige ervaringen' op.

Kijken we bijvoorbeeld naar het stapelen van grote blokken op kleine. Wat peuters in een beginstadium bij het stapelen al 'doende en sprekend' oplossen, is bij kleuters vanzelfsprekend geworden, hun constructies zijn ingewikkelder. De vroeger verworven kennis of vaardigheid (van het stapelen) is op haar beurt een bouwsteen voor een volgende, meer complexe wiskundige ervaring.

Tijdens de meeste spelactiviteiten bij kinderen wordt niet enkel de wiskundige ervaring gestimuleerd, maar merken we een nauwe verbondenheid met taal (commentaar geven), met het muzische, met bewegingsopvoeding, met wereldoriëntatie, Bij een activiteit in de kleuterklas wordt aan verschillende ontwikkelingsdoelen tegelijk gewerkt, de onderlinge samenhang van de diverse ontwikkelingsgebieden ligt voor de hand.

Ontwikkelingsdoelen

 

1. Getallen

  De kleuters kunnen
1.1 handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen. (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen).
1.2 met aanwijzing vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (resultatief).
1.3 een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken.
1.4 in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren ( evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen).
1.5 door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft, hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte.
 

2. Meten

  De kleuters kunnen
2.1 handelend en verwoordend twee dingen op hun kwalitatieve eigenschap vergelijken.
2.2 dingen kwalitatief vergelijken en samenbrengen op basis van één of twee gemeenschappelijke kenmerken.
2.3 dingen rangschikken volgens de toenemende of afnemende mate van een welbepaald kwalitatief kenmerk.
2.4 in concrete situaties handelingen uitvoeren met vormen, grootheden en figuren, in functie van een kwalitatief kenmerk.
2.5 handelend en verwoordend, aangeven dat een bepaalde grootheid (lengte, inhoud, volume, gewicht, oppervlakte) van een ding dezelfde blijft, hoe dit ook geplaatst of geordend is in de ruimte.
2.6 bij benadering een voorwerp "meten" met een zelfgekozen maateenheid.
2.7 verandering, beweging, (snelheid) die ze met hun eigen lichaam ervaren of die ze bij voorwerpen, verschijnselen of bij andere mensen waarnemen, verwoorden.
2.8 bij vergelijking van twee voor hen bekende activiteiten en bij voldoende duidelijke verschillen, verwoorden welke activiteit het langst en welke het kortst duurt.
2.9 aan de hand van een kalender de dagen aftellen tussen het nu en een speciale gebeurtenis waarvan de dag is aangegeven binnen de periode van een week.
 

3. Ruimte (initiatie op meetkunde)

  De kleuters kunnen
3.1 handelend, in concrete situaties de begrippen "in, op, boven, onder, naast, voor, achter, eerste, laatste, tussen, schuin, op elkaar, ver weg, dicht bij, binnen, buiten, omhoog en omlaag" in hun juiste betekenis gebruiken. Zij kunnen pictogrammen in verband met "richtingen" als symbolen hanteren.
3.2 vanuit verschillende gezichtspunten die ze zelf concreet innemen, verwoorden hoe eenzelfde voorwerp, gebouw of persoon er telkens anders uitziet.
3.3 in een concrete situatie oplossingen vinden voor een ruimtelijk probleem.
3.4 vanuit een patroon een rij of een reeks dingen verder zetten. In het patroon kunnen aantallen (beperkt tot 5) en/of kwalitatieve kenmerken (beperkt tot twee gemeenschappelijke) voorkomen.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.