Buitengewoon lager onderwijs type 7 - Wereldoriëntatie

Uitgangspunten

Wat is dat? Hoe werkt dat? Waarom?

Met een grenzeloze interesse beweegt de kleuter zich in zijn wereld. Steeds meer maken zijn motoriek en taal het hem mogelijk op ontdekking te gaan. Met een grote openheid 'beleeft' hij. Weinig dingen zijn echt ongewoon voor hem. Of het nu om een computer gaat of Arabische muziek. Het is voor hem een kwestie van verkennen en leren kennen.

Ouders gaan spontaan in op vragen die kinderen stellen en sluiten op die manier aan bij een natuurlijke exploratiedrang. Het is belangrijk dat die exploratiedrang een verlengstuk krijgt op school. Dat kan door ook op school in te spelen op de natuurlijke situaties waarin kleuters terecht komen. Aan de leerkracht om hen te helpen dergelijke situaties te begrijpen en hun te leren ermee om te gaan. Stap voor stap.

Blikken we even terug naar een 2,5-jarige kleuter die zijn eerste schooldagen achter de rug heeft en kijken we naar diezelfde kleuter drie jaar later. Wat een wereld van verschil. Onze kleuter weet ondertussen bijvoorbeeld heel goed dat gisteren voorbij is en morgen nog moet komen. Hij kan zelf al vooraf kiezen - noem het plannen - wat hij wil spelen. Of hij kan u ook achteraf nog vertellen wat er allemaal is voorgevallen. Kortom, dit jonge kind krijgt stilaan greep op zijn ervaring van de tijd. Heel wat dingen gebeuren niet meer zomaar. Hij kan een en ander begrijpen en zelfs voorspellen (na de donkere nacht wordt het weer licht en is het dag) of hij kan plannen in de tijd.

Dit voorbeeld toont aan hoe de kleuter gaandeweg, door een ontluikend tijdsbesef, op een andere manier in de wereld staat. Wie de dingen beter en beter 'begrijpt', kan er ook meer op 'ingrijpen'. Hij wordt competenter.

Wereldoriëntatie in de kleuterschool betekent dat we kinderen helpen competenties te ontwikkelen om zich in de situaties waarin ze terecht komen goed te voelen en zich goed uit de slag te trekken. Het komt erop aan in de klas een voldoende ruime waaier van situaties aan te grijpen of te creëren, zodat er echt sprake is van een brede ontwikkeling.

Op school kunnen we een aantal situaties scheppen of aansluiten bij de ervaringen die kleuters spontaan opdoen, zowel binnen als buiten de school. Kinderen maken kennis met bepaalde wetmatigheden in de natuur (water kan bevriezen en wordt ijs, maar dit ijs kan ook smelten), ze ervaren verschillende technische mogelijkheden (je schoen kan je sluiten met een gesp, maar ook met veters of een velcrosluiting), ze kennen verschillende maatschappelijke verschijnselen (sommige mama's en papa's zijn gescheiden) of ze doen ervaringen op met mensen rondom hen (de ene juf kan meer lawaai verdragen dan de andere juf), ze kunnen zich steeds meer zelfstandig bewegen in hun omgeving (ik kan alleen mijn weg vinden in de school).

De aanknopingspunten om met kleuters wereldoriënterend te werken liggen als het ware voor het grijpen. Het is belangrijk dat kleuters zelf, vanuit een explorerende en onderzoekende houding, kansen krijgen om competenter te worden in de wereld van de natuur, technologie, mens, maatschappij, tijd en ruimte.

De ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het domein Natuur zijn in samenhang geactualiseerd met de ontwikkelingsdoelen en eindtermen Natuurwetenschappen in de eerste graad van het secundair onderwijs. Voor dit gehele pakket gelden de volgende uitgangspunten.

De ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het domein Techniek zijn in samenhang geactualiseerd met de ontwikkelingsdoelen en eindtermen Techniek in de eerste graad van het secundair onderwijs. Voor dit gehele pakket gelden de volgende uitgangspunten.

 

Ontwikkelingsdoelen

 

1. Wereldoriëntatie - Natuur

 

Algemene vaardigheden

  De kleuters kunnen
1.1 kunnen verschillen onderscheiden in geluid, geur, kleur, smaak en voelen;
1.2 tonen een explorerende en experimenterende aanpak om meer te weten te komen over de natuur;
1.3 kunnen met hulp van een volwassene, eenvoudige bronnen hanteren om meer te weten te komen over de natuur.
 

Levende en niet-levende natuur

  De kleuters kunnen
1.4 kunnen organismen en gangbare materialen ordenen aan de hand van eenvoudige, zelf gevonden criteria;
1.5 kunnen in verband met voortplanting van mensen en dieren, illustreren dat een levend wezen steeds voortkomt uit een ander levend wezen van dezelfde soort;
1.6 kunnen illustreren dat de geboorte van mens en dier wordt voorafgegaan door een periode van gedragen worden door de moeder of door de ontwikkeling in een ei;
1.7 kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en voelen;
1.8 kunnen verschillende weersomstandigheden waarnemen, vergelijken en benoemen en voorbeelden geven van de gevolgen voor zichzelf.
 

Gezondheid

  De kleuters kunnen
1.9 kunnen bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen;
1.10 kunnen in concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid;
1.11 tonen goede gewoonten in hun dagelijkse hygiëne;
1.12 weten dat ze door de inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden.
 

Milieu

  De kleuters kunnen
1.13 tonen een houding van zorg en respect voor de natuur.
 

2. Wereldoriëntatie - Techniek

 

Kerncomponenten van techniek

  De kleuters kunnen
2.1 van technische systemen die ze zelf vaak gebruiken, aangeven of ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof;
2.2 van een eenvoudig technisch systeem uit hun omgeving aantonen dat verschillende onderdelen ervan in relatie staan tot elkaar in functie van een vooropgesteld doel.
 

Techniek als menselijke activiteit

  De kleuters kunnen
2.3 in een eenvoudige situatie nagaan welk technisch systeem best tegemoet komt aan een behoefte;
2.4 ideeën bedenken voor een eenvoudig technisch systeem;
2.5 geschikt materiaal en gereedschap kiezen voor het realiseren van een eenvoudig technisch systeem;
2.6 een eenvoudig technisch systeem maken, al dan niet aan de hand van een stappenplan;
2.7 nagaan of het doel werd bereikt met een zelfgemaakt technisch systeem.
  De kleuters kunnen
2.8 zijn bereid hygiënisch, veilig en zorgzaam te werken;
2.9 tonen een experimentele en explorerende aanpak om meer te weten te komen over techniek.
 

Techniek en samenleving

  De kleuters kunnen
2.10 aangeven dat een technisch systeem dat ze gebruiken nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kan zijn.
   
  Voor het realiseren van bovenstaande ontwikkelingsdoelen gelden volgende begripsomschrijvingen.
  Kerncomponenten van techniek
De vier kerncomponenten van techniek zijn: technisch systeem, technisch proces, hulpmiddelen en keuzen.
  • Technisch systeem
    Een technisch systeem is een geheel van elkaar wederzijds beïnvloedende elementen en onderdelen die gericht zijn op het bereiken van (een) bepaald(e) doel(en).
    In een technisch systeem kunnen zich natuurkundige, scheikundige of biologische fenomenen voordoen.

    De term technisch systeem kan betrekking hebben op het systeemaspect alleen of op alle aspecten (de 4 kerncomponenten) van het technisch object. De gekozen toepassing van het ontwikkelingsdoel bepaalt welke van de twee benaderingen aangewezen is.
     
  • Technisch proces
    Een proces kent een geleidelijk verloop van een reeks acties om een technisch systeem in te zetten, te ontwikkelen of te verbeteren.
    Kenmerkend voor techniek is het technisch proces.
    Het technisch proces vertrekt vanuit een behoefte en verloopt volgens 5 stappen:
    • probleem stellen;
    • ontwerpen;
    • maken;
    • in gebruik nemen;
    • evalueren.
       
  • Hulpmiddelen
    De kerncomponent ‘hulpmiddelen’ omvat alles wat nodig is om technische systemen efficiënter te laten functioneren, te verwezenlijken en hun werking te doorgronden. Daarmee worden onder andere bedoeld: materialen en grondstoffen, energie, machines en gereedschappen, meetinstrumenten, mensen, kapitaal, tijd, …
     
  • Keuzen
    Keuzen zijn afhankelijk van criteria waaraan technische systemen moeten voldoen. Die criteria kunnen door de maatschappij of vanuit de techniek worden bepaald. Criteria kunnen norm worden en normen kunnen wet worden.
 

3. Wereldoriëntatie - Mens

 

Ik en mezelf

  De kleuters kunnen
3.1 kunnen bij zichzelf onderkennen wanneer zij bang, blij, boos of verdrietig zijn en kunnen dit op een eenvoudige wijze uitdrukken.
3.2 kunnen in een eenvoudige taal een recent gebeurde situatie waarbij zij betrokken waren in dialoog met een volwassene, beschrijven en vertellen hoe zij zich daarbij voelden.
3.3 tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.
 

Ik en de ander

  De kleuters kunnen
3.4 kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen en erover praten.
3.5 kunnen bij anderen gevoelens van bang, blij, boos en verdrietig zijn herkennen en kunnen meeleven in dit gevoel.
3.6 weten dat mensen eenzelfde situatie op een verschillende wijze kunnen ervaren en er verschillend kunnen op reageren.
3.7 kunnen een gevoeligheid tonen voor de behoeften van anderen.
3.8 kunnen voor zichzelf opkomen door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn.
 

Ik en de anderen in groep

  De kleuters kunnen
3.9 kennen en begrijpen omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep.
3.10 kunnen in concrete situaties met de hulp van een volwassene afspraken maken.
3.11 kunnen bij een activiteit of een spel in een kleine groep, controleren of de anderen zich aan de regels houden.
 

4. Wereldoriëntatie - Maatschappij

 

Sociaal-economische verschijnselen

  De kleuters kunnen
4.1 kunnen beroepen en bezigheden van volwassenen die ze kennen op een eenvoudige wijze beschrijven.
4.2 kunnen in een concrete situatie het onderscheid maken tussen geven, krijgen, ruilen, lenen, kopen en verkopen.
 

Sociaal-culturele verschijnselen

  De kleuters kunnen
4.3 kunnen verschillende gezinsvormen herkennen.
4.4 herkennen vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders-zijn van mensen.
4.5 beseffen dat sommige mensen een andere levenswijze hebben dan zijzelf, als ze geconfronteerd worden met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur.
 

Politieke en juridische verschijnselen

  De kleuters kunnen
4.6 kunnen met concrete voorbeelden illustreren dat mensen die samenleven, zich organiseren via regels waaraan iedereen zich moet houden.
4.7 weten dat er mensen zijn die waken over het naleven van regels in elke samenleving.
4.8 kunnen een onderscheid maken tussen geweldloze en gewelddadige oplossingen voor conflicten.
 

5. Wereldoriëntatie - Tijd

  De kleuters kunnen
5.1
  • begrijpen dat "gisteren" voorbij is en dat "morgen" nog moet komen
  • kunnen de begrippen vandaag, dag, nacht in hun juiste betekenis gebruiken
5.2 kunnen een beperkt aantal vaste gebeurtenissen in het verloop van hun dag in een juiste volgorde aangeven.
5.3 tonen tijdsbesef aan de hand van het functioneel gebruik van verschillende soorten kalenders.
5.4 kunnen een eenvoudig visueel voorgesteld plan zelfstandig uitvoeren.
5.5 kunnen terugblikken op minstens twee voorbije activiteiten door deze in de juiste volgorde te rangschikken en te verwoorden.
5.6 kunnen in de tijd vooruitzien door minstens twee activiteiten na elkaar te plannen.
 

6. Wereldoriëntatie - Ruimte

 

Ruimtelijke oriëntatie

  De kleuters kunnen
6.1 kunnen een menselijke figuur tekenen met de belangrijkste lichaamsdelen (het hoofd, de romp, de benen, de armen, de oren, de ogen, de neus en de mond) op de juiste plaats.
6.2 kunnen inschatten hoeveel ruimte hun eigen lichaam inneemt.
6.3 vinden zelfstandig hun weg in een vertrouwde omgeving.
6.4 kunnen aan een bekende volwassene hun naam en de gemeente waar ze wonen zeggen.
6.5 kennen de betekenis van volgende pictogrammen:
 
  • de pijl
  • de uitgang
  • het toilet
6.6 kunnen voorstellingen van vertrouwde plaatsen en voorwerpen herkennen.
 

Ruimtebeleving

 

De kleuters

6.7 kunnen een ruimte inrichten in functie van hun spel.
6.8 kunnen, mits aanwijzingen, orde brengen in een beperkte ruimte.
 

Ruimtelijke ordening

  De kleuters kunnen
6.9 kunnen verschillen in landschappen en omgevingen, door mensen ingericht, verwoorden.
 

Verkeer - mobiliteit

  De kleuters kunnen
6.10 herkennen in hun omgeving plaatsen waar ze veilig kunnen spelen en waar niet.
6.11 beseffen dat het verkeer risico's inhoudt.
6.12 kunnen onder begeleiding elementaire verkeersregels toepassen.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.