Buitengewoon lager onderwijs type 7 - Lichamelijke opvoeding

Uitgangspunten

De meeste kinderen bewegen graag uit zichzelf. Ze klimmen en klauteren, lopen en hinkelen, trekken en duwen, zwaaien en werpen met voorwerpen. Kinderen proberen eigenlijk voortdurend nieuwe bewegingsvormen uit. De mate waarin ze dat doen, wordt bepaald door de bewegingsituaties en spelmaterialen die ze aangeboden krijgen en door de voorbeelden van andere kinderen en volwassenen.

Een rij van paaltjes van ongelijke hoogte op een speelplaats is voor heel wat kinderen een uitdaging. Tegelijk kunnen ze er nieuwe bewegingen mee uitproberen en oefenen. Zo zullen ze proberen op de hoogste paaltjes te klauteren zonder hun evenwicht te verliezen, ze zullen van de paaltjes afspringen en hierbij een zekere afstand overbruggen, enz. Sommige kinderen laten daar geen gras over groeien. Anderen zullen eerst de kat uit de boom kijken. Ze kijken eerst even toe hoe hun vriendjes de zaak aanpakken alvorens het zelf te proberen.

Hoe dan ook, het is belangrijk dat men die natuurlijke bewegingsdrang van kinderen in het kleuteronderwijs in stand houdt en verder stimuleert.

Het is de bedoeling dat kinderen steeds bewegingsvaardiger worden en meer en meer vertrouwd raken met veel verschillende bewegingsvormen. Dat kan in eerste instantie door hen in bewegingssituaties te brengen waarin ze kunnen exploreren, experimenteren en oefenen.

Exploreren vindt plaats wanneer kleuters in een totaal nieuwe bewegingssituatie worden gebracht. Denk maar aan driejarigen die voor het eerst naar de gymzaal gaan. Voorzichtig tasten de kinderen de nieuwe situatie met de ogen af om vervolgens behoedzaam voorwerpen of toestellen aan te raken. Dan gaan ze na wat ze met de voorwerpen of met de nieuwe situatie kunnen doen. Wanneer ze dat doorhebben, gaan kinderen over tot experimenteren. Ze gaan nu uitgebreid en op een speelse manier de nieuwe materialen, toestellen, uitproberen. Kinderen gaan over tot oefenen wanneer ze op een bepaald moment een vaardigheid echt onder de knie willen krijgen, zoals hinkelen of fietsen.

Bewegingsvaardigheid wordt in tweede instantie ook gestimuleerd door kinderen in spelsituaties te brengen waarbij bewegingsvormen op verschillende manieren moeten worden gebruikt. De bewegingsvormen worden dan geïntegreerd in het spel.

Beide vormen van bewegingssituaties willen kinderen motorische ontwikkelingskansen geven en dit op verschillende vlakken: zich bewegen in de ruimte en in de tijd, de voorkeurslichaamszijde en de eigen lichaamsopbouw ontdekken, rust ervaren na een inspanning, groot-motorische en klein-motorische vaardigheden beheersen, zelf oplossingen vinden voor een bewegingsprobleem, veilig bewegen, enz. Deze ontwikkelingsdoelen worden samengebracht in het domein Motorische competenties.

Spelen vraagt van kleuters ook een zekere uithouding, kracht, snelheid en lenigheid. Door te spelen verbetert de fysieke conditie van de kinderen. Voorts worden de kinderen tijdens het spelen geconfronteerd met ervaringen als 'het warm hebben', 'buiten adem zijn', ... Deze ervaringen kunnen een aanleiding zijn om te wijzen op gezonde leefgewoontes. Het tweede domein bevat doelen die de ontwikkeling van een gezonde en veilige levensstijl beogen.

Bij bewegingsspelen komt echter nog meer kijken. Hier worden niet alleen motorische competenties op een geïntegreerde manier tot ontwikkeling gebracht, kinderen worden ook geconfronteerd met andere aspecten. Bij het spelen komen gevoelens naar boven (plezier, spanning en opluchting, zich uitleven), leren kinderen omgaan met afspraken en spelregels, kunnen ze zichzelf een prestatie opleggen, enz. Ze krijgen zicht op hun eigen mogelijkheden en worden vaardig in het leggen van contacten. Het derde domein heet zelfconcept en sociaal functioneren.

 

Ontwikkelingsdoelen

 

1. Motorische competenties

 

Zelfredzaamheid in kindgerichte bewegingssituaties

  Lichaams- en bewegingsbeheersing
  De kleuters
1.1 kunnen diverse ruimtelijke hindernissen nemen door middel van klimmen en klauteren, stappen, lopen en springen.
1.2 kunnen de eigen bewegingsbaan stoppen, richten en wijzigen afhankelijk van statische en dynamische objecten: andere bewegers, obstakels, bewegende voorwerpen.
1.3 kunnen het evenwicht behouden in verplaatsingen en bij houdingen op diverse steunvlakken.
1.4 kunnen het eigen lichaamsgewicht veilig opvangen door middel van landen en vallen.
1.5 kunnen onder begeleiding kleuteraangepast materiaal veilig heffen, dragen en verplaatsen.
1.6 kunnen met een eenvoudig bewegingsantwoord snel reageren op auditieve, visuele en tactiele signalen.
  Complexe lichaams- en bewegingsorganisatie
  De kleuters
1.7 kunnen voor verschillende basisbewegingen de ledematen functioneel en gecoördineerd inschakelen.
1.8 voeren de voornaamste basisbewegingen uit zonder teveel overtollige meebewegingen.
1.9 kunnen vlot en spontaan de zijkanten van het lichaam gebruiken en zijwaarts bewegen.
1.10 kunnen de armen en benen afwisselend bewegen.
  Voorkeurlichaamszijde
  De kleuters
1.11 tonen een duidelijke linker of rechter voorkeur voor éénhandige taken.
1.12 kunnen hun voorkeurhand tonen, wanneer het expliciet gevraagd wordt.
1.13 tonen in taken waar tweehandigheid vereist is een duidelijke taakverdeling in gebruik van linker en rechterhand (-voet).
  Lichaamsopbouw
  De kleuters
1.14 tonen in het bewegen dat ze de opbouw van het lichaam aanvoelen en kennen en dat ze intuïtief rekening houden met de lichaamsopbouw en met lichaamsgrenzen en -verhoudingen.
1.15 kunnen zelf actief omgaan met wijzigingen in de lichaamshouding rekening houdend met de omgeving.
  Rustervaringen
  De kleuters
1.16 kunnen komen tot rustervaringen.
  Complexe ruimte- en tijdsfactoren
  De kleuters
1.17 kunnen in de ruimte snel een afgesproken plaats terugvinden en er rekening mee houden.
1.18 kunnen tijdens het bewegen rekening houden met plaatsaanduidingen.
1.19 kunnen handelend rekening houden met een te overbruggen afstand.
1.20 kunnen in eenvoudige bewegings- en spelsituaties de meest efficiënte bewegingsrichting kiezen.
1.21 passen de eigen beweging aan aan de snelheid en het tempo van bewegende objecten, of aan de tijdsduur van auditieve signalen.
1.22 passen het eigen bewegingsritme spontaan aan aan een eenvoudig opgelegd ritme.
1.23 zoeken zelf een uitvoeringsvolgorde in een bepaalde opstelling van toestellen.
1.24 kunnen twee of meer opeenvolgende hindernissen nemen.
1.25 kunnen doelgericht een beweging onderbreken en laten opvolgen door een andere beweging.
 

Groot-motorische en klein-motorische vaardigheden in gevarieerde situaties

  Groot-motorische vaardigheden
  De kleuters
1.26 tonen een toenemende bedrevenheid in basisbewegingen met betrekking tot de kind-eigen bewegingscultuur.
1.27 tonen actieve bewegingspogingen om de eigen behendigheidsgrens volgens eigen aanvoelen te verleggen.
  Klein-motorische vaardigheden
  De kleuters
1.28 tonen een toenemende bedrevenheid in het functioneel aanwenden van klein-motorische vaardigheden.
1.29 kunnen klein-motorische vaardigheden in verschillende situaties voldoende nauwkeurigheid gedoseerd en ontspannen uitvoeren.
1.30 kunnen de functionele grepen gebruiken voor het hanteren van voorwerpen.
  Opeenvolgende handelingen
  De kleuters
1.31 kunnen een eenvoudige reeks van opeenvolgende handelingen uitvoeren binnen bewegingsactiviteiten.
  Bewegingsantwoorden
  De kleuters
1.32 kunnen een gepast bewegingsantwoord geven op eenvoudige speltaken, bewegingsopdrachten, afspraken en regels.
  Handelend omgaan met betekenisinhouden
  De kleuters
1.33 tonen in het handelend omgaan met betekenisinhouden een toenemend begrijpen, toepassen en verwoorden van:
 
  • spelideeën van kinderspelen
  • lichaams-, bewegings-, ruimte- en tijdsbegrippen, facetten van fysische kennis
  • voorstellingen (fantasie)
  • symbolen en hun interpretatie, begrippen
  Oplossen van kind-aangepaste bewegingsproblemen
  De kleuters
1.34 kunnen geconcentreerd bezig blijven met een bewegingsprobleem.
1.35 tonen belangstelling voor aangereikte oplossingsstrategieën.
1.36 tonen pogingen tot verwoorden van gestelde acties.
1.37 kunnen creatief verschillende oplossingen voorstellen.
1.38 kunnen geleerde bewegingsprincipes toepassen in andere bewegingssituaties.
  Sensorische prikkels
  De kleuters
1.39 kunnen gerichte aandacht opbrengen voor verschillende sensorische prikkels en deze rustig laten inwerken.
  Beweging als expressie- en communicatiemiddel
  De kleuters
1.40 tonen in hun vrije spel en in geleide opdrachten een spontaan aanwenden van beweging als expressie en communicatiemiddel.
 

2. Gezonde en veilige levensstijl

  De kleuters
2.1 behouden de natuurlijke vitaliteit en bereidheid om fysieke inspanningen te leveren.
2.2 nemen zelf initiatief om groot-motorisch te bewegen.
2.3 beleven zichtbaar plezier aan fysieke inspanningen.
2.4 ontwikkelen een correcte lichaamshouding.
2.5 behouden hun natuurlijke lenigheid.
2.6 kunnen in diverse spelsituaties de nodige kracht tonen om het eigen lichaamsgewicht en kleuter-aangepast spelmateriaal te verplaatsen en te dragen.
2.7 kunnen een fysieke inspanning een tijdlang volhouden.
2.8 kunnen eenvoudige verplaatsingsvormen op snelheid uitvoeren.
2.9 herkennen effecten van fysieke activiteit op het eigen lichaam en kunnen dat op hun manier verwoorden.
2.10 ontwikkelen een goed hygiënische gewoonte en weten dat zij schoeisel en kledij moeten aanpassen aan de omstandigheden.
 

3. Zelfconcept en het sociaal functioneren

  De kleuters
3.1 tonen een intrinsieke belangstelling om diverse nieuwe bewegingssituaties te verkennen.
3.2 kunnen speels bezig zijn met de eigen beweging en lichamelijkheid.
3.3 tonen in het experimenteergedrag dat ze de eigen mogelijkheden en begrenzingen aanvoelen.
3.4 tonen een rustige aanwezigheid in het eigen lichaam, voelen de eigen grenzen en tonen een vertrouwdheid met de eigenheid van het lichaam.
3.5 tonen in diverse bewegingssituaties een variatie aan innerlijk beleven.
3.6 tonen een persoonlijke stijl in spontane expressie.
3.7 durven de eigen bewegingsvormen en behendigheden tonen.
3.8 kunnen zich emotioneel uiten binnen aanvaardbare grenzen.
3.9 kunnen in bewegingssituaties respectvol rekening houden met de veiligheid en de vermogens van andere kleuters en passen hun handelingen aan.
3.10 kunnen kleuter-aangepast materiaal uithalen en weer opbergen op de afgesproken plaats.
3.11 kunnen materiaal op de geëigende manier gebruiken.
3.12 kunnen binnen een eenvoudige spelvorm één tot twee spelregels opvolgen.
3.13 gaan spontaan over tot het maken van eenvoudige afspraken binnen het functioneren in subgroepjes.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.