Buitengewoon lager onderwijs type 2 - Wiskunde functioneel rekenen

Uitgangspunten

Om zich te handhaven in de maatschappij is het belangrijker vraagstukjes uit het dagelijks leven te kunnen oplossen dan onderlegd te zijn in "schoolse rekensommetjes". Een leerling uit het type 2-onderwijs is met andere woorden meer gebaat met het feit dat hij in functionele situaties adequaat kan omgaan met numerieke informatie (bv. kleine financiële verrichtingen zoals iets kopen, meten en wegen, omgaan met tijd) dan dat hij inhoudloze optelsommen kan maken.


In dit leergebied wordt de functionaliteit dan ook centraal.


Ontwikkelingsdoelen

 

Rekentaalbegrippen in functionele situaties

1 De leerling kent en begrijpt ruimtelijke relatiebegrippen.
2 De leerling kent en begrijpt kwalitatieve relatiebegrippen.
3 De leerling kent en begrijpt kwantitatieve relatiebegrippen.
 

Tellen in functionele situaties

4 De leerling telt (getekende) voorwerpen al dan niet in een rij met/zonder manipulatie, met/zonder aanwijzen.
5 De leerling legt of tekent een opgegeven aantal voorwerpen.
6 De leerling drukt het resultaat van zijn tellen uit in een getal dat de hoeveelheid weergeeft.
 

Hoeveelheden in functionele situaties

7 De leerling ervaart, vergelijkt en verwerft inzicht in verschillende hoeveelheden.
 

Inzicht in getallen en symbolen in functionele situaties

8 De leerling verwerft getalbeelden.
9 De leerling leest en schrijft getallen.
10 De leerling identificeert en reproduceert cijfers die voor hem persoonlijk van belang zijn.
11 De leerling groepeert volgens een opgegeven aantal.
12 De leerling automatiseert de getallenrij.
13 De leerling leest grotere getallen in functionele situaties.
14 De leerling identificeert de telwoorden van eenvoudige getallen.
15 De leerling identificeert rangtelwoorden van eenvoudige getallen.
16 De leerling kent en begrijpt de termen die bij het optellen gebruikt worden: "plus", "meer", "toevoegen", "bijdoen", "som" en "erbij".
17 De leerling kent en begrijpt de termen die gebruikt worden bij het aftrekken: "wegnemen", "wegdoen", "aftrekken", "min", "minder" en "eraf".
18 De leerling heeft inzicht in de bewerkingssymbolen: "+", "-" en het relatiesymbool "=".
19 De leerling splitst getallen tot 5, 10, 20, ...
 

Rekenkundige bewerkingen in functionele situaties

20 De leerling voert eenvoudige optellingen uit bij vraagstukjes uit het dagelijks leven tot 10, 20, 100, ...
21 De leerling voert eenvoudige aftrekkingen uit bij vraagstukjes uit het dagelijks leven tot 10, 20, 100, ...
22 De leerling heeft kennis en begrip van de noties: "dubbel", "enkel", "paar", "half", "helft", "verdelen" en kan deze begrippen toepassen in functionele situaties.
23 De leerling gebruikt een rekenmachine in functionele situaties.
24 De leerling hanteert numerieke informatie uit zijn omgeving.
 

Functioneel gebruik van geld

25 De leerling identificeert en benoemt munten en briefjes.
26 De leerling ordent munten en briefjes volgens waarde.
27 De leerling telt kleingeld dat samengesteld is uit verschillende muntstukken.
28 De leerling selecteert gepaste muntstukken en briefjes voor telefooncellen en verkoopautomaten.
29 De leerling voert eenvoudige berekeningen uit met munten en briefjes in concrete situaties.
30 De leerling begrijpt de zin van het wisselen van geld.
31 De leerling betaalt benaderend en weet dat er nog wisselgeld moet volgen.
32 De leerling stelt de prijs van artikelen vast aan de hand van prijskaartjes en prijsaanduidingen.
33 De leerling frankeert brieven en postkaarten.
 

Meetvaardigheden

34 De leerling ervaart en hanteert het begrip "maat" in relatie met de lengte en de afstand.
35 De leerling past een geschikte lengtemaat toe.
36 De leerling ervaart en hanteert het begrip "maat" in relatie met het gewicht.
37 De leerling past een geschikte gewichtsmaat toe.
38 De leerling ervaart en hanteert het begrip "maat" van de inhoud.
39 De leerling past een geschikte inhoudsmaat toe.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.