Buitengewoon lager onderwijs type 2 - Wereldoriëntatie

Uitgangspunten

Zoals voor het gewoon basisonderwijs worden er ook ontwikkelingsdoelen voor het leergebied "wereldoriëntatie" voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 voorzien. De inhoudelijke invulling van dit leergebied verschilt echter zeer sterk met de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs.

De selectie van de ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie zal rekening houden met de mogelijkheden en beperkingen van elk kind zelf en kan eveneens niet los staan van de persoonlijke interesses, eventuele vragen, van het kind. Daarnaast zullen de scholen de leerlingen zoveel mogelijk laten kennis maken met de hen omringende wereld.

Het leergebied wordt ingedeeld in verschillende domeinen.

  1. Mens en natuur
    • Gezondheidseducatie
    • Mens
    • Milieueducatie
  2. Tijd
  3. Ruimte
  4. Redzaamheid
    • Persoonlijke redzaamheid
    • Huishoudelijke redzaamheid
    • Maatschappelijke redzaamheid
  5. Maatschappij

1. Domein mens en natuur

Gezondheidseducatie

De leerlingen moeten zoveel mogelijk inzicht krijgen in het functioneren van het eigen lichaam. Zo zullen ze ook meer belang hechten aan de eigen gezondheid en gezonde leefgewoonten.

Ook het ontwikkelen van zoveel mogelijk veiligheidsvaardigheden is essentieel en van levensbelang voor leerlingen in het type 2-onderwijs, zodat de bedreigingen voor hun veiligheid en gezondheid tot een minimum herleid worden. Door een toenemende functionele onafhankelijkheid en het veranderende maatschappijbeeld maken personen met een mentale handicap immers meer en meer deel uit van de gewone leefwereld waar er niet betuttelend of beschermend opgetreden wordt.

Mens

Dit gedeelte heeft enkel betrekking op de stimulering van de verschillende kanalen voor zintuiglijke waarneming.

Bij de meeste mensen vormen het zicht en het gehoor de belangrijkste informatiekanalen. Een gebrekkige werking of uitval van deze twee zintuiglijke kanalen kan men enigszins compenseren door de tastzin, de geur- en/of smaakwaarneming sterker te ontwikkelen.

De zintuigen dienen nauw samen te werken, zodat de informatie uit de verschillende kanalen elkaar kan aanvullen. Dit is essentieel om tot een volledig beeld en een juiste interpretatie van de werkelijkheid te komen. Indien zintuiglijke informatie uit één bepaald kanaal helemaal ontbreekt, leidt dit tot een verminderd gevoel van basisveiligheid.

Via de waarneming wordt zoveel mogelijk gepoogd de leerlingen te begeleiden in het begrijpen en kennen van zichzelf en van de anderen.

Milieueducatie

Ook voor leerlingen type 2 is het belangrijk dat ze op een respectvolle wijze omgaan met hun omringende wereld. De ontwikkelingsdoelen inzake milieu-educatie zijn gericht op het ontwikkelen van een positieve attitude ten opzichte van de natuur

2-3 De domeinen tijd en ruimte

Gezien de nauwe verwevenheid tussen het domein tijd en ruimte worden ze in hun onderling verband toegelicht. Het is vanzelfsprekend dat in de onderwijspraktijk beide domeinen zeer sterk bij elkaar aansluiten.

Kinderen met een mentale handicap hebben het vaak moeilijk om tot ruimtelijk inzicht te komen. Hierdoor levert ook het het beleven van afstand, het schatten van afstand en het daarop afstellen van de waarneming en de beweging problemen op.

De oriëntatie in de ruimte is nauw verwant aan de oriëntatie in de tijd. Het uitvoeren van bewegingen gebeurt immers in een bepaalde opeenvolging met bepaalde tussentijden en rustpauzes. Daarnaast is het belangrijk om inzicht te krijgen in de tijdsstructuur zoals structuur van de dag, week, Daarom verdient de ontwikkeling van de oriëntatie in ruimte en tijd voldoende aandacht in het type 2-onderwijs.

4. Domein redzaamheid

Normaal ontwikkelende kinderen verwerven vele facetten van zelfredzaamheid vrijwel spontaan (met een minimale begeleiding). Bij personen met een mentale handicap daarentegen is dat enigszins anders, o.a. omdat de drang om zelfstandig te zijn bij hen minder groot is, omdat de zin voor initiatief vaak ontbreekt, omdat de wereld onrust en angst veroorzaakt.

Zelfredzaamheid heeft betrekking op capaciteiten en attitudes die noodzakelijk zijn om zich in het leven te kunnen handhaven, om te kunnen voorzien in de eigen levensbehoeften. Het ontwikkelen van zelfredzaamheid is essentieel en zelfs levensnoodzakelijk. Het type 2-onderwijs dient dus uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de elementaire aspecten van zelfredzaamheid. Door de mate van zelfredzaamheid te verhogen gaat het zelfvertrouwen en zelfwaardegevoel van de leerlingen groeien en zal hun hulpeloosheid verminderen. Zelfredzaamheid bestaat uit 3 aspecten nl. de persoonlijke, de huishoudelijke en de maatschappelijke redzaamheid.

Persoonlijke redzaamheid heeft als doel dat de persoon zichzelf kan behelpen en dat hij zo zelfstandig mogelijk kan instaan voor zijn elementaire levensbehoeften nl. eten en drinken, aan- en uitkleden en lichaamsverzorging.

Huishoudelijke redzaamheid heeft betrekking op het zelfstandig uitvoeren van allerlei huishoudelijke taken zonder dat er eigenlijk contact vereist is met de buitenwereld (zorg voor kleding, bereiding van voedsel en drank, huishoudelijke karweitjes).

Maatschappelijke redzaamheid betekent dat men zich zo zelfstandig mogelijk kan beredderen en begeven in de maatschappij (bij het boodschappen doen, in het verkeer, door de geldende leef- en milieuregels te respecteren).

5. Domein maatschappij

Door het ontwikkelen van de zelfredzaamheid komen de leerlingen tot een grotere zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Het is dan ook belangrijk dat ze voldoende inzicht hebben in de leefregels van onze maatschappij en dat ze deze ook kunnen naleven.

 

Ontwikkelingsdoelen

   

1. Domein mens en natuur

   

1.1 Gezondheidseducatie

   

Gezonde keuzes maken

1   De leerling aanvaardt dat anderen gezonde keuzes voor hem maken.
2   De leerling maakt zelf gezonde keuzes.
   

Omgaan met gezondheidsproblemen

3   De leerling aanvaardt dat medicatie wordt toegediend.
4   De leerling neemt maatregelen om ongelukjes te voorkomen.
5   De leerling geeft te kennen dat hij zich ziek voelt.
6   De leerling behandelt kleine verwondingen adequaat.
7   De leerling gaat gepast om met medicatie.
   

Gevaarsituaties herkennen

8   De leerling herkent gevaarlijke materialen en situaties en reageert adequaat.
9   De leerling gaat niet mee met onbekenden of vreemden.
10   De leerling herkent signalen die wijzen op mogelijk gevaar.
   

Veiligheid

11   De leerling speelt op een veilige wijze met materialen en instrumenten.
12   De leerling gaat veilig om met dieren.
13   De leerling begrijpt veiligheidsvoorschriften en reageert er adequaat op.
14   De leerling reageert op adequate wijze in noodsituaties.
   

1.2 Mens

   

Geurwaarneming

15   De leerling staat open voor en reageert op geuren.
16   De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. geuren.
17   De leerling communiceert de beleving van geuren.
   

Smaakwaarneming

18   De leerling staat open voor en reageert op smaken.
19   De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. smaken.
20   De leerling communiceert de beleving van smaken.
   

Tactiele waarneming

21   De leerling staat open voor en reageert op tactiele waarneming.
22   De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. tactiele stimuli.
23   De leerling communiceert de beleving van tactiele stimuli.
   

Auditieve waarneming

24   De leerling staat open voor en reageert op auditieve waarneming.
25   De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. auditieve stimuli.
26   De leerling communiceert de beleving van auditieve stimuli.
   

Visuele waarneming

27   De leerling staat open voor en reageert op visuele waarneming.
28   De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. visuele stimuli.
29   De leerling communiceert de beleving van visuele stimuli.
   

1.3 Milieueducatie

30   De leerling is ontvankelijk voor milieubewust gedrag.
31   De leerling begrijpt milieubewust gedrag van anderen.
32   De leerling gedraagt zich milieubewust.
   

2. Domein tijd

   

Tijdsbewustzijn

33   De leerling ervaart en reageert op tempo en ritme.
34   De leerling stemt zijn beweging af op een bepaald tempo en ritme.
   

Functionele tijdsituaties

35   De leerling identificeert en benoemt de specifieke momenten van de dag (morgen, namiddag, nacht) en koppelt het tijdstip (delen van de dag) aan gepaste activiteiten.
36   De leerling identificeert en benoemt de dagen van de week, de maanden van het jaar, de seizoenen en de  persoonlijke tijdsituaties.
37   De leerling gebruikt een kalender.
38   De leerling heeft kennis en begrip van de noties "bijna" en "juist voorbij" in verband met tijd en kan deze noties  hanteren in functionele situaties.
39   De leerling identificeert en benoemt de objectieve tijd.
40   De leerling onderscheidt gebeurtenissen die in het heden, verleden en de toekomst plaatsvinden en heeft besef  van heden, verleden en toekomst.
   

Tijdsduur

41   De leerling ervaart, begrijpt de verschillende aspecten van tijdsduur en gebruikt de begrippen in verband met  tijdsduur.
42   De leerling gaat bewust om met de beschikbare tijd.
   

3. Domein ruimte

   

Ruimtebeleving

43   De leerling ervaart de ruimte waarin hij zich bevindt.
44   De leerling koppelt activiteiten en gebeurtenissen aan ruimten.
   

Ruimte ordenen

45   De leerling ordent gekende en minder gekende ruimtes.
46   De leerling kent en gebruikt de belangrijkste begrippen in verband met de ruimte.
   

Ruimte voorstellen

47   De leerling stelt de ruimte voor in drie dimensies.
48   De leerling stelt de ruimte voor in twee dimensies.
   

Functioneel verplaatsen in de ruimte

49   De leerling verplaatst zich en/of een voorwerp op een adequate wijze in een kleine of grote ruimte.
   

Lokaliseren in de ruimte

50   De leerling lokaliseert zichzelf, objecten en personen in de ruimte.
   

4. Domein redzaamheid

   

4.1 Persoonlijke redzaamheid

   

Functionele onafhankelijkheid bij het naar toilet gaan

51   De leerling ontwikkelt zindelijk gedrag.
52   De leerling respecteert sociale regels bij het naar het toilet gaan.
53   De leerling verzorgt zichzelf bij het naar het toilet gaan.
   

Functionele onafhankelijkheid bij het eten en drinken en het bereiden van voedsel en drank

54   De leerling neemt zelfstandig voedsel op onder verschillende vormen.
55   De leerling hanteert verschillende instrumenten bij het eten.
56   De leerling respecteert sociale regels bij het samen eten.
57   De leerling bereidt courant voedsel en drank.
   

Functionele onafhankelijkheid bij aan- en uitkleden en de zorg voor kleding

58   De leerling is bereid mee te werken bij het aan- en uitkleden.
59   De leerling trekt kledingstukken aan en uit.
60   De leerling herkent de eigen kledingstukken.
61   De leerling draagt zorg voor kleding.
   

Functionele onafhankelijkheid bij het zich wassen en verzorgen (hygiëne)

62   De leerling is bereid mee te werken bij het wassen en verzorgen.
63   De leerling verzorgt zich met behulp van instrumenten.
64   De meisjes verzorgen zichzelf tijdens de menstruatie en verschonen zelfstandig het maandverband.
   

4.2 Huishoudelijke redzaamheid

   

Functionele onafhankelijkheid bij het uitvoeren van huishoudelijke karweitjes

65   De leerling voert huishoudelijke taken uit met of zonder gebruik te maken van huishoudtoestellen.
66   De leerling bedient geluids- en beeldapparatuur.
   

4.3 Maatschappelijke redzaamheid

   

Functionele onafhankelijkheid bij het boodschappen doen of het winkelen

67   De leerling onderscheidt verschillende waren en weet waar ze te koop zijn.
68   De leerling gaat onder begeleiding winkelen.
69   De leerling doet boodschappen.
   

Functionele onafhankelijkheid bij het telefoneren

70   De leerling beantwoordt een telefoon.
71   De leerling maakt gebruik van de telefoon in een vertrouwde omgeving.
72   De leerling maakt gebruik van een telefoon in een niet-vertrouwde omgeving.
   

Functionele onafhankelijkheid in het verkeer

73   De leerling weet waar hij thuishoort in het verkeer.
74   De leerling identificeert verkeerstekens en leeft ze na.
75   De leerling begeeft zich zelfstandig naar voor hem vertrouwde plaatsen.
76   De leerling gaat of verplaatst zich adequaat met hulpmiddelen.
   

5. Domein Maatschappij

   

Openheid voor de omringende wereld

77   De leerling bemerkt en reageert op de aanwezigheid van voorwerpen, dieren of personen.
78   De leerling gewent aan de aanwezigheid van voorwerpen, dieren of personen.
79   De leerling wordt aangesproken door de aanwezigheid van voorwerpen, dieren of personen.
   

Leefregels

80   De leerling is zich bewust van zichzelf en begrijpt zijn eigen plaats binnen de groep, gezin, leefgemeenschap of buurt.
81   De leerling gedraagt zich op een aanvaardbare wijze zowel in openbare als in privé‚ situaties.
82   De leerling draagt zorg voor zijn persoonlijke bezittingen.
83   De leerling draagt zorgt voor de bezittingen van anderen.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.