Buitengewoon lager onderwijs type 2 - Motorische en lichamelijke ontwikkeling

Uitgangspunten

Kinderen hebben veel behoefte aan beweging. Beweging is voor hen belangrijk om zich te ontwikkelen niet alleen op motorisch maar ook op cognitief, dynamisch-affectief en sociaal vlak. Door waar te nemen en te bewegen ontdekt een kind zichzelf en de wereld. Voor elke persoon met een mentale handicap zal de ontwikkeling van de motoriek verschillend zijn afhankelijk van de eigen mogelijkheden en beperkingen. Het is essentieel dat alle aanwezige mogelijkheden zoveel mogelijk ontwikkeld en benut worden. Belangrijk hierbij is dat de leerling plezier beleeft aan dit bewegen, dat hij een bepaald doel zelfstandig kan bereiken, en dat zijn levensruimte uitbreidt. Aan het stimuleren van het leergebied motorische ontwikkeling en lichamelijke opvoeding wordt in het BuO door verschillende teamleden gewerkt.

De lijst met ontwikkelingsdoelen bestaat niet louter uit doelstellingen waar alleen de leerkracht L.O. kan aan werken. Sommige ontwikkelingsdoelen kunnen beter nagestreefd worden door de klasleerkracht of paramedicus (bv. kinesist, ergotherapeut,..).

Voor andere doelstellingen is het aangewezen dat er zowel door de klasleerkracht, de leerkracht L.O., de leerkracht handvaardigheid als de paramedici aandacht aan besteed wordt. In het type 2-onderwijs zijn deze teamleden samen verantwoordelijk voor de selectie en de realisatie van de ontwikkelingsdoelen. Dit vereist uiteraard regelmatig overleg, duidelijke afspraken en handelingsplanning, samenwerking en gezamenlijke doelgerichtheid.

De ontwikkelingsdoelen worden geordend volgens de belangrijkste facetten van de motoriek, nl. in de volgende domeinen :

  1. Basale stimulatie
    • Somatische waarneming
    • Vibratorische waarneming
    • Vestibulaire waarneming
    • Ademhalingswaarneming
  2. Lichaamsperceptie
  3. Groot-motorische bewegingen en vaardigheden
  4. Klein-motorische vaardigheden

1 Domein basale stimulatie

Voor diep meervoudig gehandicapte leerlingen wordt gepoogd om via basale stimulatie de leerling in wezenlijk contact met zichzelf te brengen met behulp van daarvoor ontwikkelde programma's zoals Sensorische Integratie, Bobath, Sherborne, Basale Stimulatie van Fröhlich, Voor deze leerlingen staat het ervaren en het beleven van zichzelf centraal meer nog dan voor de andere leerlingen in het BuO type 2. Het onderwijsaanbod zal zich hier voldoende moeten op afstemmen. De ontwikkelingsdoelen voor basale stimulatie worden ingedeeld in de somatische waarneming, de vibratorische waarneming, de vestibulaire waarneming en de ademhalingswaarneming.

Deze waarnemingsvormen zijn voor kinderen met een ernstige of diep mentale handicap een toegangsmogelijkheid om zichzelf en de omringende buitenwereld te ervaren. De somatische waarneming omvat gewaarwordingen op niveau van de huid, de spieren en de gewrichten. De vibratorische waarneming heeft betrekking op trillingservaringen. Bij de vestibulaire waarneming gaat het om het ervaren van prikkelvormen die optreden door veranderingen in de ruimte, ritmische schommelingen en draaibewegingen. De ademhalingswaarneming biedt de mogelijkheid het eigen lichaam te voelen en kan een aanzet tot communicatie vormen.

2 Domein lichaamsperceptie

Lichaamsperceptie is één van de fundamentele motorische basiscompetenties van de mens. Het is nodig voor de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Het is daarom essentieel dat elk kind tot een adequaat bewustzijn van het eigen lichaam komt, dat het de grenzen van zijn eigen lichaam kent, zich bewust is van zijn beide lichaamshelften en over een adequate links-rechtsoriëntering beschikt.

Door te bewegen en vooral door te lopen wordt de basis gelegd voor het ruimtelijk denken, het afstands-, richtings- en tijdsbesef, inzicht in verhoudingen, en het lichaamsbewustzijn. Stoornissen in de bewegingsontwikkeling, het bewegings- en lichaamsbeleven hangen dan ook vaak samen met de problemen bij de cognitieve ontwikkeling.

3 Domein groot-motorische bewegingen en vaardigheden

Deze ontwikkelingsdoelen hebben betrekking op het geleidelijk uitbouwen van de groot-motorische bewegingscapaciteiten van leerlingen. Bij personen met een mentale handicap verloopt de ontwikkeling van het bewegen vaak niet zo vlot als bij kinderen met een normale ontwikkeling. Zowel bij het uitvoeren van basisbewegingen zoals stappen, lopen, springen, als bij het uitvoeren van complexere bewegingen blijken zij moeilijkheden te hebben. Zij kampen bovendien vaak met grofmotorische coördinatieproblemen.

4 Domein klein-motorische vaardigheden

Het is belangrijk dat er tevens voldoende aandacht besteed wordt zowel aan de ontwikkeling van de initiële manipulatieve vaardigheden (bv. grijpen, vasthouden, ) als aan de ontwikkeling van klein-motorische vaardigheden die nodig zijn om zo optimaal mogelijk te functioneren en zichzelf te beredderen in het dagelijks leven (bv. eenvoudige instrumenten bedienen).

 

Ontwikkelingsdoelen

 

1. Domein basale stimulatie

 

1.1 Somatische waarneming

 

Aanraking

1 De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op aanraking.
2 De leerling ervaart zichzelf als een eenheid.
 

Bioritme

3 De leerling ervaart en reageert adequaat op het bioritme.
 

Contrast spanning en ontspanning

4 De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op spanning en ontspanning.
 

1.2 Vibratorische waarneming

5 De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op vibratorische waarneming.
 

1.3 Vestibulaire waarneming

6 De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op vestibulaire prikkels.
 

1.4 Ademhalingswaarneming

 

Ademritme

7 De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op beïnvloeding van het ademhalingsritme.
8 De leerling ontwikkelt toegankelijkheid voor communicatie via de ademhaling.
 

2. Domein lichaamsperceptie

 

Lichaamsbewustzijn

9 De leerling ervaart dat hij een lichaamscentrum heeft.
10 De leerling ervaart het lichaam als totaliteit.
11 De leerling toont dat hij de opbouw van zijn lichaam kent: is zich bewust van de verschillende delen.
12 De leerling ontwikkelt en beheerst (met/zonder hulp) een goede uitgangshouding.
 

Lichaamsgrenzen

13 De leerling voelt zich goed in het eigen lichaam.
 

Lichaamshelften

14 De leerling ervaart en onderscheidt beide lichaamshelften.
 

Links-rechts oriëntering

15 De leerling ervaart en kent de voorkeurslichaamszijde en ontwikkelt het gebruik ervan.
16 De leerling onderscheidt links en rechts bij zichzelf, bij de anderen of bij een afbeelding door aan te duiden en/of te benoemen.
 

Verbale termen in verband met het eigen lichaam

17 De leerling is in staat lichaamsdelen bij zichzelf, bij de anderen of op een afbeelding aan te duiden, te herkennen en/of te benoemen.
18 De leerling toont bij zichzelf, bij de anderen of op een afbeelding het lichaamsdeel dat een bepaalde functie uitoefent.
19 De leerling benoemt de functie van de belangrijkste lichaamsdelen.
20 De leerling demonstreert de belangrijkste lichaamsfuncties.
21 De leerling geeft de positie van de verschillende lichaamsdelen t.o.v. elkaar weer.
 

Verbale termen in verband met houdingen en bewegingen

22 De leerling beeldt houdingen en/of bewegingen uit na verbale omschrijving.
23 De leerling benoemt de voornaamste houdingen.
 

3. Domein groot-motorische bewegingen en vaardigheden

 

Bevorderen van motorische ontwikkeling

24 De leerling beheerst primaire lichaamscontrole en bewegingen.
 

Algemene dynamische coördinatie

25 De leerling houdt zijn lichaam in evenwicht.
26 De leerling hanteert aangepast materiaal op verschillende wijzen (werpen, opvangen, trekken, duwen, tillen, dragen, opheffen, zwaaien, zwieren, erop slaan,wegschoppen).
27 De leerling beweegt zich voort (stappen, marcheren, wandelen, lopen, huppelen, hinkelen, klimmen, klauteren, glijden, schuiven).
28 De leerling springt in de hoogte en in de verte.
29 De leerling beweegt rug- en/of zijwaarts.
 

Dynamische coördinatie bij voortbewegen

30 De leerling gebruikt adequaat de nodige hulpmiddelen bij het dynamisch voortbewegen.
31 De leerling voelt zich veilig en beweegt zich voort in het water.
32 De leerling stapt trappen op en af.
 

4. Domein klein-motorische vaardigheden

 

Initiële manipulatieve vaardigheden

33 De leerling komt tot grijpen, vasthouden, optillen en loslaten van een voorwerp binnen handbereik.
34 De leerling draait zijn romp en maakt een voor- of achterwaartse circulaire armbeweging.
35 De leerling manipuleert voorwerpen met overschrijding van de verticale lichaamsas (middellijn van het lichaam).
36 De leerling ontwikkelt een samenwerking van beide handen.
 

Klein-motorische vaardigheden voor het bedienen van eenvoudige instrumenten en uitrustingen

37 De leerling werkt met sensopatisch materiaal.
38 De leerling werkt met verschillende materialen.
39 De leerling bewerkt materiaal met instrumenten.
40 De leerling maakt constructies door gebruik te maken van verschillende materialenmaterialen zoals papier, hout, stof, leder, koord, garen, stenen, schelpen, gras, rijst, bonen en macaroni.

 

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.