Buitengewoon lager onderwijs type 2 - Leren leren

Uitgangspunten

Het leergebied "leren leren" beoogt het optimaal ontwikkelen en leren door de kinderen meer inzicht te geven in hun cognities en gedrag. Om te komen tot leren zal er voldoende aandacht besteed moeten worden aan de dynamisch-affectieve componenten.

In het domein motivatie wordt aan het durven en willen leren en denken aandacht besteed. Daarnaast zal in het domein cognitie en metacognitie geleidelijk aan gestreefd worden naar het zelfstandig verwerken van problemen, het eenvoudig reflecteren over de eigen denk- en leerhandelingen,

De ontwikkelingsdoelen leren leren worden dan ook geordend in volgende domeinen:

  1. Motivatie
  2. Cognitie en metacognitie

1 Domein motivatie

De drang tot zelfrealisatie zorgt ervoor dat de mens iets kan bereiken in het leven, dat hij "iemand" kan zijn. Wanneer deze fundamentele drang ontbreekt, kunnen mensen hun mogelijkheden onvoldoende tot ontwikkeling laten komen. Leerlingen in het type 2-onderwijs worden vaak gekenmerkt door een gebrek of tekort aan zelfrealisatiedrang. Dit oefent dikwijls een grotere remmende invloed uit op hun ontwikkeling dan hun intelligentietekort. Deze leerlingen vertonen vaak apathie en een passieve onderworpenheid aan de situatie. Bovendien komen het doelgericht handelen, de exploratiedrang en de zin voor initiatief bij hen weinig voor. De meesten zijn te weinig actiegericht. Als gevolg van herhaalde frustratie-ervaringen vermindert hun doorzettingsvermogen en brokkelt het zelfvertrouwen volledig af.

Dit alles belemmert of verhindert de zelfontplooiing van deze leerlingen. Een goede motivatie is immers essentieel voor de ontwikkeling en om de handicap en de daaruit voortvloeiende moeilijkheden te overwinnen. Leerlingen in het type 2-onderwijs kunnen zich ervan bewust worden dat ze met de nodige inspanningen, ondanks hun problemen en beperkingen, toch iets kunnen bereiken en betekenen in de maatschappij. Hierbij speelt de leerkracht een cruciale rol. Hij dient immers de omstandigheden te creëren waarin de leerling door het leveren van inspanningen succeservaringen kan opdoen.

Er dient vooral gepoogd te worden om de intrinsieke motivatie van de leerlingen in het type 2-onderwijs uit te bouwen, zodat ze gaat primeren op de extrinsieke motivatie. Intrinsieke motivatie betekent dat de realisatie van het motief of streefdoel samenvalt met het vervullen van de taak zelf. Men is o.a. gemotiveerd omdat men de taak plezierig vindt, omdat men er belangstelling voor heeft, omdat men behoefte heeft aan zelfbepaling Bij extrinsieke motivatie daarentegen staat de realisatie van het motief of streefdoel eigenlijk volledig los van de taakvervulling zelf. Men is immers gemotiveerd omdat men er straf mee kan vermijden of omdat men er een beloning (versterker) mee kan verdienen. Het kan hierbij gaan om materiële versterkers (bv. snoep, speelgoed), sociale versterkers (bv. aandacht, knuffel, complimentje), activiteitenversterkers (een prettige activiteit mogen doen), of ruilversterkers (stempels, zegels, kaartjes die men kan inruilen tegen een andere versterker, bv. met 5 stempels kan men 1 ijsje krijgen). Extrinsieke motivatie speelt vooral in de opbouw van de motivatie een belangrijke rol.

Via extrinsieke motivatie moet geleidelijk de intrinsieke motivatie ontwikkeld worden, zodat het gedrag dan niet altijd afhankelijk is van concrete beloningen.

2 Domein cognitie en metacognitie

De ontwikkelingsdoelen voor het BuO-type 2 bevatten ook doelen met betrekking tot cognitie en metacognitie. Het gaat hierbij om het stilstaan bij de eigen gedachten en het zo efficiënt mogelijk oplossen van problemen. Deze doelstellingen mogen echter niet los van de andere gezien worden.

Voor het formuleren van ontwikkelingsdoelen voor cognitie en metacognitie werd het model van Sternberg gehanteerd. In dit model wordt de focus gericht op de interne mentale mechanismen, die aan de basis liggen van intelligent gedrag. Hierbij komen de mentale processen (componenten) aan bod die nodig zijn bij het opnemen, verwerken en weergeven van informatie. Componenten zijn elementaire processen van informatieverwerking die werken op innerlijke voorstellingen van symbolen of objecten. Sternberg deelt deze componenten in op basis van hun functie.

Sternberg onderscheidt drie groepen doelstellingen, namelijk meta-doelstellingen, performantie- of uitvoerende doelstellingen en kennisverwervende of leerdoelstellingen. Dit kan best verduidelijkt en geïllustreerd worden aan de hand van de metafoor van een bedrijf. Opdat een bedrijf optimaal zou functioneren zijn er drie elementen nodig. Ten eerste zijn er "managers" nodig die een beleid bedenken en een visie uitstippelen over hoe alles zo efficiënt en effectief mogelijk zou verlopen. Ten tweede zijn er goed geschoolde en/of ervaren "arbeiders" nodig die de instructies van het management nauwgezet uitvoeren en heel stipt het stappenplan afwerken. Tenslotte moet er in het bedrijf ook geleerd worden uit het heden en het verleden en moeten er uit de ervaringen lessen getrokken worden naar de toekomst toe, wil men stagnatie of achteruitgang in het bedrijf vermijden.

Ook in het hoofd van elke mens, in onze gedachten, zijn die drie facetten nodig om efficiënt te kunnen denken. Deze facetten noemt Sternberg "metacomponenten" (de managers van het denken), "performantiecomponenten" (de arbeiders van het denken) en "kennisverwervende componenten" (waardoor mensen leren, onthouden, en transfereren).

De metacomponenten sturen en "bedenken" ons denken. Ze zeggen wat de andere componenten moeten doen. Ze ontvangen feedback van de andere componenten en ze gaan na of men het probleem op een al dan niet aangepaste wijze aanpakt. Deze metacomponenten kan men mee helpen ontwikkelen via aangepaste didactiek.

De performantiecomponenten bewerken de voorhanden zijnde gegevens tot nieuwe gegevens. De gegevens verkregen door de metacomponenten worden hier concreet ter uitvoering gebracht. Het aantal componenten is zeer groot. Daarom dient men in feite een aantal elementaire en cruciale componenten te selecteren.

De kennisverwervende componenten zorgen ervoor dat men de nodige kennis opneemt, onthoudt en gebruikt in verschillende situaties. Kennis kan omschreven worden als een referentiekader, waarbij verschillende elementen georganiseerd en gestructureerd zijn. Op basis van ervaringen uit heden en verleden wordt heel wat nuttige kennis verzameld die in de toekomst gebruikt kan worden om nog efficiënter te werken in allerhande situaties.

Om leerlingen uit het type 2-onderwijs zelfstandiger te leren informatie te verwerken en problemen op te lossen zal men moeten inwerken op deze drie pijlers. Deze ontwikkelingsdoelen moeten verweven zijn in het basispakket en zouden eigenlijk de hele dag door in het achterhoofd van de begeleiders moeten meespelen. Deze doelstellingen moeten ten opzichte van de leerling verwoord worden in begrijpbare taal (bv. "we zullen beter kunnen leren als we veel oefenen" ). Bovendien moeten ze ook zinvol en haalbaar gemaakt worden, opdat de leerlingen zich er tenvolle voor kunnen inzetten.

 

Ontwikkelingsdoelen

 

 

1. Domein motivatie

 

Gevoel van bekwaamheid

1 De leerling vertoont voldoende zelfvertrouwen om te leren.
 

Zelfontplooiing

2 De leerling streeft zelf naar een optimale ontplooiing van zijn mogelijkheden.
 

Veranderbaarheid

3 De leerling stelt vorderingen bij zichzelf vast.
 

Persoonlijke zingeving

4 De leerling is intrinsiek gemotiveerd, leergierig en leerbereid.
5 De leerling vraagt naar/begrijpt de zin van aangeboden taken.
 

Adequate werkhouding

6 De leerling toont concentratie.
7 De leerling stemt zijn werktempo af op de moeilijkheidsgraad en zijn vertrouwdheid met de taak.
8 De leerling heeft zin voor orde en netheid en werkt uit zichzelf nauwkeurig.
 

Doelgerichtheid

9 De leerling stuurt zijn gedrag naar een bepaald doel.
 

Omgaan met successen en mislukkingen

10 De leerling ervaart falen of slagen.
11 De leerling gaat adequaat om met successen en mislukkingen.
 

Open staan voor uitdagingen

12 De leerling neemt initiatief bij nieuwe taken.
 

2. Domein cognitie en metacognitie

 

2.1 Metacomponenten

 

Probleemanalyse

13 De leerling ervaart een probleem.
14 De leerling uit het probleem op een materiële, perceptuele of verbale wijze.
15 De leerling analyseert het probleem.
16 De leerling beslist of hij een bepaald probleem al dan niet zal aanpakken.
 

Snelheidselectie en reflecterend vermogen

17 De leerling beheerst zijn impulsiviteit.
18 De leerling reflecteert vóór, tijdens en na het handelen.
 

Planmatig werk

19 De leerling ervaart planmatig werken.
20 De leerling stelt een plan op en kent de volgorde van de stappen.
21 De leerling evalueert en stuurt zijn planmatig werken bij.
 

Zelfinstructie

22 De leerling verwoordt voor zichzelf wat hij aan het doen is en wat hij zal doen via gebaren, voorstellingen en taal.
23 De leerling bewaakt zijn werkwijze tijdens de taakuitvoering.
 

Zelfregulatie

24 De leerling voltooit een begonnen taak met het nodige doorzettingsvermogen.
25 De leerling stuurt en controleert zijn denken en handelen.
 

2.2 Performantiecomponenten

26 De leerling groepeert om een probleem op te lossen.
27 De leerling serieert om een probleem op te lossen.
28 De leerling vergelijkt om een probleem op te lossen.
29 De leerling ervaart conservatie.
30 De leerling legt relaties in functionele situaties.
31 De leerling bouwt een geheel op grond van delen.
32 De leerling splitst een groter geheel op in delen, deelaspecten en/of tussenstappen.
33 De leerling lost een probleem op via imitatie.
34 De leerling gaat op eigen initiatief een oplossing zoeken door effectief te proberen en te leren uit ervaringen.
35 De leerling gebruikt een gekende oplossingsmethode in een vergelijkbare situatie.
36 De leerling komt vanuit concrete oplossingen tot een meer algemeen geldend oplossend gedrag.
37 De leerling vindt door gebruik te maken van een algemene regel oplossingen in een concrete situatie.
38 De leerling ervaart de zin van structuren en regels.
39 De leerling hanteert ordeningsprincipes om structuren aan te brengen.
 

2.3 Kennisverwervende componenten

 

Leercomponenten

40 De leerling is gericht op het juist begrijpen van woorden en ideeën.
41 De leerling is gericht op het juist gebruiken van woorden en ideeën.
42 De leerling vraagt uitleg bij wat hij niet begrijpt.
43 De leerling begrijpt relatiewoorden.
 

Geheugencomponenten

44 De leerling onthoudt en reproduceert op een adequate wijze informatie.
 

Transfercomponenten

45 De leerling draagt gekende informatie over van de ene situatie naar de andere.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.