Buitengewoon lager onderwijs type 1 - Wereldoriëntatie

Uitgangspunten

1 Kerngedachten

Het onderwijs moet vertrekken van de nog beperkte en concreet gerichte ervaringswereld van de leerling in het type 1. Daarbij dient het rekening te houden met mogelijke verschillen in achtergrond en subcultuur. Een leerling met licht mentale handicap komt niet zonder hulp tot exploratie en zelfontdekkend leren. Ervaringen moeten door de leerkracht geordend en herhaalde malen aangeboden worden. Geleidelijk aan wordt zo de ervaringswereld van de leerling uitgebreid.

Om tot veralgemening en transfer te komen, moet de toepassing van het geleerde in verschillende situaties opnieuw aan bod komen. Het is niet nodig alle ontwikkelingsdoelen Wereldoriëntatie aan bod te laten komen voor alle leerlingen in het buitengewoon onderwijs type 1. Het schoolteam moet prioriteiten bepalen en kan via de handelingsplanning ontwikkelingsdoelen selecteren die aansluiten bij de opvoedingsbehoeften van de leerling. Het team mag daarbij niet uit het oog verliezen dat Wereldoriëntatie geen doel is op zich, maar een middel om de leerling meer redzaam en maatschappelijk aangepast te maken.

Leerlingen in het type 1 zijn omwille van hun mentale beperkingen kwetsbaarder dan leerlingen in het gewoon onderwijs. Zij komen moeilijker tot redzaamheid en maatschappelijke inschakeling. Dit uit zich op verschillende vlakken:

  • Op persoonlijk vlak moeten ze leren zich soepel aan te passen, maar tegelijk ook zich kritisch en weerbaar op te stellen. Die dualiteit werkt voor hen verwarrend, en bedreigt het uitbouwen van een persoonlijke identiteit als volwassene.
  • Op maatschappelijk vlak moeten ze zich leren inschakelen in een maatschappij die steeds ingewikkelder en meer grootschalig wordt en daardoor steeds minder overzienbaar.
  • Op lichamelijk vlak komen ze minder goed tot risico-inschatting en zijn daardoor vlugger slachtoffer van (verkeers)ongevallen en van de negatieve gevolgen van ongezonde leefgewoonten.

Zingeving en het verduidelijken van de bruikbaarheid van het geleerde zijn belangrijk bij het aanbieden van de leerstof aan de leerling. Zo wordt de betrokkenheid en de motivatie van de leerling vergroot.

2 Problemen bij wereldoriëntatie

Voor leerlingen met licht mentale handicap is de hen omringende wereld minder doorzichtig en toegankelijk dan voor leerlingen uit het gewoon onderwijs. Zij nemen meestal niet alleen minder maar ook minder nauwkeurig waar. Daarbij komt nog dat alles wat ze hebben beleefd en meegemaakt vlugger uit hun geheugen verdwijnt. Ook de cognitieve verwerking verloopt moeilijker, evenals het vormen van een eigen beeld van de hen omringende werkelijkheid. Het blijft meestal bij de concrete beleving, waardoor ze moeilijk tot een abstracte begripsvorming komen. Hun inzicht en bevattingsvermogen zijn beperkt. Ze komen ook minder vlug tot het ordenen en het leggen van verbanden tussen delen of aspecten van de wereld waarin ze leven. Dit maakt hun beleving van die wereld diffuus en gefragmenteerd.
Leerlingen in het type 1 hebben soms ook minder spontane interesse voor de hen omringende werkelijkheid. Ze komen minder vlug tot verwondering en tot het stellen van vragen zoals hoe, waar en waarom. Ze gaan uit zichzelf minder vlug op verkenning en exploratie, waardoor ze minder tot zelfontdekkend leren komen.

Hierbij kunnen nog beperkingen komen van een heel andere aard. De meeste leerlingen in het type 1 leven in een sociaal arm thuismilieu, waarin ze weinig stimulansen krijgen en beperkte ervaringen opdoen. Dikwijls heerst er ook een subcultuur, met een leefwijze, een taalgebruik, gewoonten en waardepatronen die ver af staan van wat op school gebruikelijk is. Leerlingen uit die subcultuur staan zo voor een moeilijk te overbruggen kloof. Ze komen terecht in een voor hen vreemde schoolcultuur die ze niet begrijpen en waarmee ze weinig affiniteit hebben. Dit bemoeilijkt hun leren op school.

3 Domeinen

De ontwikkelingsdoelen Wereldoriëntatie zijn net als de eindtermen van het gewoon lager onderwijs ingedeeld in de domeinen: natuur, technologie, mens, maatschappij, tijd, ruimte en bronnengebruik. Het domein 'mens' is bij de ontwikkelingsdoelen voor het BuO van het type 1 ondergebracht in het leergebied Sociaal-emotionele Ontwikkeling en komt daarom hier verder niet aan bod.

3.1 Natuur

De kinderen verwerven inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van de levende natuur met de mensen, dieren en planten als levende wezens. Ook voor de niet-levende natuur met het weer en klimaat, heelal, grondstoffen en fysische verschijnselen worden ontwikkelingsdoelen geformuleerd. Doelstellingen voor milieu- en gezondheidseducatie sluiten hierbij aan. Van groot belang is het dat de kinderen via ontdekkende en onderzoekende activiteiten in de eigen omgeving zelf basisinzichten ontwikkelen over verschijnselen in de natuur. Het natuuronderwijs moet dan ook situaties creëren waarin kinderen kansen krijgen om zelf te ontdekken, te ervaren, te exploreren en al spelend te leren.

3.2 Technologie

De kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van techniek in hun omgeving. Net zoals volwassenen benutten de leerlingen zelf materialen, krachten, energiebronnen of werktuigen om op een creatieve wijze dingen te maken of om vanuit een behoefte, de natuur aan te wenden voor zichzelf.

De speel- en leefomgeving vormt de context waarin technologische vorming zich dient af te spelen. Speelgoed, bijvoorbeeld constructiespeelgoed, huishoudtoestellen, dagelijkse gebruiksvoorwerpen, met andere woorden niet-schoolse materialen, gereedschappen en constructies dienen te worden aangegrepen met het oog op het ontwikkelen van technische inzichten, vaardigheden en attitudes. Een concrete technische probleemsituatie biedt uitgelezen kansen om zelfstandig, proefondervindelijk en al doende te leren denken, meer bepaald te leren problemen oplossen, zeker voor kinderen die minder sterk zijn in het verbaal benaderen van een probleem. Technologische vorming houdt in dat er kansen worden geboden om te ontdekken, creatief te ontwerpen, te bouwen en te construeren. Centraal staan het denkend handelen en het handelend denken in voor kinderen herkenbare technische contexten. Tenslotte kan aandacht voor techniek ook bijdragen tot het doorbreken van rolpatronen inzake techniek en technische beroepen. De ontwikkelingsdoelen voor het domein technologie zijn opgebouwd rond twee grote pijlers:

  • Basisinzichten: de inhoud van het domein.
  • Technologisch proces: de processen binnen het domein.

3.3 Maatschappij

De kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van het collectieve in de samenleving.

Het gaat hier om drie domeinen:

  • sociaal-economische verschijnselen zoals beroepen, productie, arbeid en handel, consumentenopvoeding;
  • sociaal-culturele verschijnselen zoals groepsvorming, voorzieningen voor specifieke groepen, levensbeschouwelijke en esthetische zingeving, leven in een multiculturele samenleving;
  • politieke en juridische verschijnselen zoals rechten en plichten, bestuur van het land, internationale samenwerkingsverbanden.

Binnen dit domein werd een selectie gemaakt van maatschappelijke verschijnselen en mechanismen waarover jonge kinderen zich gaandeweg een correct beeld zouden moeten vormen en waarin ze stilaan vaardig worden om zich op een sociaal-weerbare en respectvolle wijze te gedragen. Bij het inhoudelijk afbakenen van het domein maatschappij, werd gekozen voor het belichten van aspecten van de eigen samenleving, weliswaar in een mondiale context.

3.4 Tijd

De kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van de oriëntatie in de dagelijkse en historische tijd. De algemene doelstelling die in verband met "Tijd" worden nastreefd, is het ontwikkelen en vergroten van het dagelijks en historisch bewustzijn. De kinderen verwerven inzicht en worden vaardig in het omgaan met de dagelijkse of cyclische tijd en met de historische of lineaire tijd. Wat de dagelijkse tijd betreft is het vooral van belang dat de kinderen greep krijgen op de eigen tijd. Ze leren gebeurtenissen situeren en ordenen in de tijd en ook de eigen tijd stilaan zelf plannen. Zo worden de zelfsturing en de sociale redzaamheid van de kinderen bevorderd. Wat het historisch tijdsbewustzijn betreft moeten de kinderen tot het inzicht komen dat het leven van mensen - ook hun eigen leven - in belangrijke mate beïnvloed wordt door de tijd waarin ze leven. Het is eveneens van belang dat kinderen hun eigen bestaan leren zien als historisch bepaald en bepalend: de wereld van nu is bepaald door de wereld van gisteren en is bepalend voor de wereld van morgen.

3.5 Ruimte

De kinderen verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes ten aanzien van de oriëntatie in de ruimte en de relatie tussen de mens en de ruimte die hij benut. Ook doelstellingen inzake verkeers- en mobiliteitseducatie vinden hier hun plaats:

  • Oriëntatie- en kaartvaardigheid
  • Ruimtebeleving
  • Ruimtelijke ordening en bepaaldheid
  • Verkeer en mobiliteit

3.6 Bronnengebruik

Vanuit de huidige maatschappelijke context gericht op levenslang leren is het van essentieel belang dat het onderwijs inspeelt op het verwerven van vaardigheden met betrekking tot het zelfstandig raadplegen en gebruiken van diverse bronnen. Het begrip bronnen dient dan ook zeer ruim geïnterpreteerd te worden zoals het opzoeken van informatie via internet en bekijken van videomateriaal.

 

Ontwikkelingsdoelen

 

1. Natuur

 

Levende natuur

 

Gelijkenissen en verschillen

1 De leerling onderscheidt, benoemt en vergelijkt delen van mensen, planten en dieren.
2 De leerling ordent mensen, dieren en planten aan de hand van eenvoudige, zelfgevonden criteria.
3 De leerling kan in een beperkte verzameling van mensen, dieren en planten gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden.
 

Aanpassing

4 De leerling kent in zijn omgeving een paar biotopen en kan erin enkele veel voorkomende dieren en planten herkennen en benoemen.
5 De leerling kan bij organismen kenmerken aangeven waaruit hun aangepastheid blijkt aan hun voeding, aan bescherming tegen vijanden en aan omgevingsinvloeden.
 

Samenhang

6 De leerling geeft voorbeelden van bedreigde en beschermde plant- en diersoorten.
7 De leerling kan illustreren dat de mens de aanwezigheid van planten en dieren in zijn omgeving beïnvloedt.
8 De leerling kan de wet van eten en gegeten worden illustreren aan de hand van een voedselketen.
 

Levensprocessen en functies

9

De leerling geeft in verband met voortplanting van mensen en dieren, getuigenis van het inzicht dat:

  • een levend wezen steeds voorkomt uit een ander levend wezen van dezelfde soort.
  • de geboorte wordt voorafgegaan door een periode van gedragen worden door de moeder of door de ontwikkeling van het jong in een ei.
  • de geboorte het verlaten van het moederlichaam of van het ei betekent.
10 De leerling geeft in verband met groei en ontwikkeling getuigenis van het inzicht dat een levend wezen vanaf het prille begin ontwikkelt en uiteindelijk (af)sterft.
11 De leerling kan belangrijke organen die betrokken zijn bij de levensprocessen bij de mens (geboorte, groei, ademhaling en transport van stoffen) lokaliseren, benoemen en hun functie op een eenvoudige wijze verwoorden.
12 De leerling illustreert dat mens en dier dankzij de zintuigen zien, horen, ruiken, voelen, proeven...
13 De leerling geeft bij zichzelf aan welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en voelen.
14 De leerling illustreert de functie van de zintuigen, van het skelet en van de spieren op een eenvoudige wijze.
15 De leerling kan lichamelijke veranderingen die hij bij zichzelf en leeftijdgenoten waarneemt, herkennen als normale aspecten in de ontwikkeling.
 

Niet-levende natuur

 

Weer

16 De leerling kan verschillende weersomstandigheden gericht waarnemen, vergelijken en benoemen.
17 De leerling geeft voorbeelden van de gevolgen van weersomstandigheden voor zichzelf.
18 De leerling kan de weersituatie op een bepaald moment en over een beperkte periode meten en beschrijven.
19 De leerling geeft de natuurverschijnselen aan, die een bepaald seizoen kenmerken.
20 De leerling kan het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven.
 

Heelal

21 De leerling herkent en benoemt de zon, de maan, de aarde.
22 De leerling toont hoe de aarde om zichzelf en de aarde, de zon en de maan ten opzichte van elkaar bewegen.
 

Bodem en grondstoffen

23 De leerling kan van courante voorwerpen uit zijn omgeving zeggen uit welke materialen en grondstoffen ze gemaakt zijn.
 

Algemene vaardigheden natuur

24 De leerling noteert systematisch observaties van zaaiproeven.
25 De leerling geeft betekenis aan weerswaarnemingen.
26 De leerling beschrijft tijdens uitstappen verschillen in geluiden en geuren.
27 De leerling experimenteert en exploreert de aanpak om meer te weten te komen over de natuur.
28 De leerling toetst eigen ideeën en veronderstellingen i.v.m. licht, geluid, magnetisme, energie of factoren die de groei van planten beïnvloeden op een eenvoudige wijze.
29 De leerling kan minstens één natuurlijk verschijnsel dat hij waarneemt via een eenvoudig onderzoekje toetsen aan een hypothese.
 

Gezondheidseducatie

 

Gezond - ziek

30 De leerling herkent bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn.
31 De leerling geeft aan dat sommige mensen van bij de geboorte een handicap hebben.
32 De leerling beschrijft dat sommige mensen door ouderdom een aantal ongemakken gaan ondervinden.
 

Levensstijl

33 De leerling herkent in concrete situaties gedragingen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor de gezondheid.
34 De leerling kent de basisregels voor een gezonde voeding en begrijpt het belang van gewichtscontrole.
35 De leerling geeft aan dat regelmatig gebruik van bepaalde producten in bepaalde omstandigheden kan leiden tot verslaving.
 

Hygiëne

36 De leerling toont goede gewoonten inzake dagelijkse hygiëne.
37 De leerling beseft dat het nemen van voorzorgen de kans op besmettelijke ziekten, parasieten of schimmels vermindert of uitsluit.
 

Veiligheid

38 De leerling herkent gangbare pictogrammen inzake gezondheid en veiligheid en handelt overeenkomstig.
39 De leerling weet dat hij door de inname van sommige producten en planten ziek kan worden.
40 De leerling roept hulp in bij ongeval.
41 De leerling kan passende elementaire hulp toedienen bij lichte schaafwonden en brandwonden.
42 De leerling past de evacuatieregels toe bij alarm op school.
43 De leerling herkent in zijn omgeving plekken waar hij veilig kan spelen en waar niet.
 

Milieu-educatie

44 De leerling toont een houding van zorg en respect voor de natuur.
45 De leerling gaat bij de verzorging van planten en dieren na, of de voorwaarden inzake voedsel, water, lucht, beweging- en slaapruimte, beschutting, hygiëne, ... vervuld zijn.
46 De leerling geeft aan welke dieren wel en welke dieren niet als huisdier kunnen gehouden worden.
47 De leerling kan bij de verzorging van dieren en planten uit zijn omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren.
48 De leerling toont zich in zijn gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met papier, water, afval en energie.
49 De leerling kan met een concreet voorbeeld uit eigen omgeving illustreren hoe mensen op een negatieve maar ook op een positieve wijze omgaan met het milieu en dat aan een milieuprobleem vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen.
 

2. Technologie

 

Basisinzichten techniek

 

Constructieprincipes

50 De leerling toont aan dat voorwerpen uit zijn omgeving bestaan uit verschillende onderdelen.
51 De leerling toont aan de hand van concrete voorwerpen of gebouwen uit zijn omgeving aan dat de brede basis van een constructie van belang is voor de stabiliteit ervan.
52 De leerling herkent bij eenvoudige voorwerpen uit zijn omgeving de meest courante verbindingen en hechtingswijzen.
53 De leerling maakt een eenvoudige constructie, waarbij hij geschikt materiaal, geschikte hechtingswijzen en geschikt gereedschap kiest.
54 De leerling toont aan dat de aard en de kwaliteit van verbindingen en hechtingen in een constructie de stevigheid van die constructie mee bepalen.
55 De leerling herkent in zijn directe omgeving toepassingen van hefbomen, katrollen en bewegingsoverbrenging via tandwielen.
 

Energie

56 De leerling kan van voorzieningen of voorwerpen uit zijn omgeving aangeven welke de energiebron is die verantwoordelijk is voor de waargenomen beweging, verwarming of verlichting.
57 De leerling kent als bronnen van energie: spierkracht, de zon, de wind, water, de brandstoffen hout, steenkool, aardolie en aardgas en atoomkernen.
 

Informatieverwerking

58 De leerling kan in zijn omgeving informatieverwerkende toepassingen herkennen.
59 De leerling leert effectief met informatica en informatieverwerking omgaan.
 

Technisch proces

 

Definiëren van het technisch proces

60 De leerling formuleert vragen, ideeën en voorspellingen over alledaagse ervaringen met materialen en constructies en gaat er experimenterend mee om.
61 De leerling kan van een bestaande constructie en van een constructie die hij zelf wil maken, zeggen aan welke eisen ze moet voldoen.
62 De leerling kan materialenkennis en kennis van constructie- en bewegingsprincipes aanwenden bij het plannen en maken van een eigen constructie.
 

Plannen en voorbereiden van het technisch proces

63 De leerling deelt een constructieactiviteit op in opeenvolgende fasen.
64 De leerling tekent een ruwe schets van de constructie die hij wil maken.
65 De leerling interpreteert een eenvoudige, aan zijn niveau aangepaste werktekening of handleiding.
66 De leerling kiest geschikt materiaal en gereedschap voor een eenvoudige constructie.
 

Uitvoeren van het technisch proces

67 De leerling kan aan de hand van een al dan niet zelfgemaakte eenvoudige werktekening of handleiding het geschikte materiaal en gereedschap kiezen en daarmee de constructieactiviteit stap voor stap juist en veilig uitvoeren.
68 De leerling kan bij het monteren/demonteren van een constructie materialenkennis en kennis van constructie- en bewegingsprincipes functioneel toepassen.
 

Evalueren van het technisch proces

69 De leerling beschrijft de werking van een bestaande of zelfgemaakte constructie op een eenvoudige wijze.
70 De leerling controleert of een zelfgemaakte constructie voldoet aan de zelf vooropgestelde eisen.
71 De leerling kan eigen werkwijzen vergelijken met andere werkwijzen en een oordeel vellen daarover.
 

Attitudes

72 De leerling brengt waardering op voor eenvoudige, inventieve technieken en voor esthetische aspecten van technische constructies en voorwerpen.
73 De leerling toont zich bereid nauwkeurig en veilig te werken, geen materiaal te verkwisten en zorg te dragen voor gereedschap.
 

3. Maatschappij

 

Sociaal-economische verschijnselen

 

Beroepen

74 De leerling beschrijft beroepen.
75 De leerling rubriceert beroepen.
76 De leerling ziet in dat een beroep als bezoldigde bezigheid een belangrijke plaats inneemt in het leven van een volwassene.
77 De leerling geeft aan dat vakmanschap nodig is voor het uitoefenen van een beroep en dat vakmanschap scholing veronderstelt.
78 De leerling illustreert hoe door technologische ontwikkelingen en veranderde behoeften de arbeidsmarkt en -situatie verandert.
79 De leerling illustreert dat werken en niet werken en verschillende vormen van arbeid maatschappelijk verschillend gewaardeerd worden.
80 De leerling kan illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden.
 

Basisprincipes

81 De leerling maakt in een concrete situatie het onderscheid tussen geven, krijgen, ruilen, lenen, kopen en verkopen.
82 De leerling illustreert met een zelf gekozen voorbeeld hoe de prijs van een product afhankelijk is van o.m. de productiekosten, de winst en de vraag en het aanbod.
83 De leerling kan met een zelfgekozen voorbeeld illustreren hoe de prijs van een product tot stand komt.
 

Welzijn

84 De leerling kan met een zelfgekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt.
85 De leerling kan illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is.
 

Consument

86 De leerling houdt als consument rekening met relevante criteria voor de aankoop van een product.
87 De leerling herkent reclame als middel om verkoop te stimuleren.
88 De leerling beseft dat zijn gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media.
89 De leerling stelt zich kritisch en weerbaar op tegenover reclame.
 

Vrijetijdsbesteding

90 De leerling noemt verschillende vormen van vrijetijdsbesteding en geeft het nut ervan aan.
91 De leerling toont zich bereid om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en evalueren.
 

Sociaal-culturele verschijnselen

 

Gezinsvormen

92 De leerling situeert zichzelf binnen het gezin en de familiale structuur.
93 De leerling herkent verschillende gezinsvormen.
94 De leerling kan er in de omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als hij.
 

Samenleving

95 De leerling illustreert dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven en een samenhorigheidsgevoel te ontwikkelen.
96 De leerling geeft de betekenis aan van verschillende feesten en gebeurtenissen binnen de culturen die hij kent.
97 De leerling herkent aspecten waarin mensen verschillen en waarin mensen gelijk zijn.
98 De leerling herkent vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders zijn van mensen.
99 De leerling beseft dat sommige mensen een andere levenswijze hebben dan hijzelf, in de confrontatie met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur.
100 De leerling kan illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten.
101 De leerling kan voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.
102 De leerling weet dat hij in contact met mensen met een handicap attent moet zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen.
103 De leerling kan illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.
104 De leerling ziet in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.
 

Politieke en juridische verschijnselen

 

Rechten en plichten

105 De leerling illustreert met concrete voorbeelden dat mensen die samenleven, zich organiseren via regels waaraan iedereen zich moet houden.
106 De leerling weet dat er mensen zijn die waken over het naleven van regels en wetten in de samenleving.
107 De leerling kan het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Hij ziet daarbij dat rechten en plichten complementair zijn.
109 De leerling maakt een onderscheid tussen geweldloze en gewelddadige oplossingen voor conflicten.
 

Organisatie

109 De leerling weet dat samenlevingsvormen als stad, gemeente, provincie, gemeenschap en land een georganiseerd bestuur hebben.
110 De leerling illustreert dat er in het bestuur van een land, gemeenschap, stad of gemeente een taakverdeling is.
111 De leerling weet dat mensen zich groeperen in politieke partijen, om hun opvattingen en overtuigingen in het bestuur van het land aan bod te laten komen.
112 De leerling weet dat de burgers bij politieke verkiezingen een stem uitbrengen op de politieke partij van hun keuze.
113 De leerling kan op een eenvoudige manier uitleggen dat verkiezingen een basiselement zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen.
114 De leerling kan illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen.
115 De leerling weet dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Hij weet daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen.
116 De leerling kent de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal).
 

4. Tijd

 

Dagelijkse tijd

 

Tijdsbesef

117 De leerling begrijpt en gebruikt de begrippen gisteren, morgen, vandaag, dag, nacht.
118 De leerling geeft een aantal vaste gebeurtenissen in het verloop van zijn dag in de juiste volgorde aan.
119 De leerling kan de tijd die hij nodig heeft voor een voor hem bekende bezigheid realistisch inschatten.
120 De leerling toont tijdsbesef aan de hand van het functioneel gebruik van verschillende soorten kalenders.
121 De leerling kan een kalender gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.
 

Planning

122 De leerling ziet in de tijd vooruit door minstens twee activiteiten na elkaar te plannen.
123 De leerling kan zelfstandig of in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.
124 De leerling plant een uitstap in de tijd, gebruikmakend van één openbaar vervoermiddel.
125 De leerling kan tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.
 

Historische tijd

126 De leerling kan belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Hij kan daarvoor eigen indelingscriteria vinden.
127 De leerling kan zijn afstamming aangeven tot twee generaties terug.
128 De leerling kent de grote periodes uit de geschiedenis (Prehistorie/Oudheid, Middeleeuwen, Nieuwe Tijd, Onze Tijd) en kan belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee hij kennis maakt situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdsband.
129 De leerling kan aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.
130 De leerling toont belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.
 

Algemene vaardigheden tijd

131 De leerling beseft dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.
 

5. Ruimte

 

Oriëntatie- en kaartvaardigheid

 

Oriëntatie

132 De leerling vindt zelfstandig zijn weg in een vertrouwde omgeving.
133 De leerling zegt aan een bekende volwassene zijn naam en de gemeente en de straat waar hij woont.
134

De leerling kent de betekenis van de volgende pictogrammen:

  • de pijl;
  • de uitgang;
  • het toilet.
135 De leerling herkent voorstellingen van vertrouwde plaatsen en voorwerpen.
 

Kaartvaardigheid

136 De leerling vindt op een plattegrond van de eigen school, gemeente of stad de voor hem bekende plaatsen terug.
137 De leerling beschrijft aan een andere leerling een te volgen weg binnen de eigen school.
138 De leerling kan aan een andere leerling een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Hij kan deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.
139 De leerling kan aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven.
140 De leerling zoekt plaatsen en gebeurtenissen waar hij kennis mee maakt op een in de context passende kaart.
141 De leerling kan in praktische toepassingssituaties op een gepaste kaart en op de globe de evenaar, de polen, de oceanen, de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen.
142 De leerling kan bij een oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas.
143 De leerling kan begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gewest, land en continent in een juiste context gebruiken.
144 De leerling heeft een voorstelling van de kaart van zijn omgeving, zodat hij in een praktische toepassingssituatie vlot de gehuchten, zijn dorp of gemeente en aangrenzende gemeenten op een kaart kan aanwijzen.
145 De leerling heeft een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat hij in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen op een kaart kan aanwijzen.
146 De leerling heeft een voorstelling van de kaart van Europa zodat hij in een praktische toepassingssituatie de betrokken landen op een kaart situeert.
 

Ruimtebeleving

147 De leerling richt een ruimte in, in functie van zijn spel.
148 De leerling brengt mits aanwijzingen, orde in een beperkte ruimte.
149 De leerling hanteert ruimtelijke begrippen en relaties ertussen.
150 De leerling kan aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen subjectieve en absolute afstand illustreren.
151 De leerling kan suggesties geven voor het inrichten van zijn eigen omgeving.
 

Ruimtelijke ordening/bepaaldheid

152 De leerling verwoordt verschillen in landschappen en omgevingen.
153 De leerling herkent op een daarvoor geschikte kaart typische patronen in ruimtelijke spreiding van het wonen, het werken (industrie, landbouw), het vervoer (weg, water), en de recreatie (groen, andere).
 

Algemene vaardigheden ruimte

154 De leerling kan een atlas raadplegen en enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal.
 

Verkeer en mobiliteit

155 De leerling beseft dat het verkeer risico's inhoudt.
156 De leerling kan onder begeleiding elementaire verkeersregels toepassen.
157 De leerling kan de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere omgeving lokaliseren.
158 De leerling kent de verkeersborden die relevant zijn voor voetgangers en fietsers.
159 De leerling past de verkeers- en gedragsregels toe die relevant zijn voor de passagiers van een voertuig.
160 De leerling kent de onderdelen van de fiets die belangrijk zijn voor de veiligheid en past de in dit verband relevante veiligheidsregels toe.
161 De leerling beschikt over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie en kent de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hem vertrouwde route.
162 De leerling vertoont voldoende aandacht, impulsbeheersing en risico-inschatting, in functie van een veilig weggebruik bij wisselende verkeersomstandigheden.
163 De leerling toont zich in zijn gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers.
164 De leerling kent de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kan de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven vergelijken.
165 De leerling gebruikt zelfstandig het openbaar vervoer op voor hem vertrouwde routes.
166 De leerling kan een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.
 

6. Bronnengebruik

167 De leerling hanteert met behulp van een volwassene, eenvoudige bronnen om meer te weten te komen over de natuur, het dagelijkse leven van mensen in eigen streek, eigen land en elders op de wereld.
168 De leerling kan op zijn niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.