Buitengewoon lager onderwijs type 1 - Nederlands

Uitgangspunten

1. Kerngedachten

Kinderen verwerven vooral taal door in interactie te treden met anderen. Interactief taalonderwijs kent volgende uitgangspunten:

  • authentiek leren: taaltaken zijn authentiek als ze betekenis hebben voor kinderen, als ze de taak ervaren als functioneel voor de praktijk. Taalleren is een actief proces waarin kinderen hun taalsysteem en hun kennis van de wereld voortdurend reorganiseren door het taalaanbod dat ze ontvangen.
  • sociaal leren: taal is bij uitstek een sociaal proces. Kinderen leren de betekenis van gesproken en geschreven taal in het dagelijks leven door het voorbeeldgedrag van anderen en in de omgang met hen in taalgebruiksituaties. Niet alleen de interactie tussen leraar en leerling is van belang, ook de interactie tussen leerlingen onderling.
    Kinderen versterken hun leerstrategieën als ze samen met anderen bespreken hoe ze een opdracht moeten aanpakken en oplossen.
  • strategisch leren: in de taalontwikkeling spelen leerstrategieën een belangrijke rol. Kinderen voeren niet alleen een taaltaak uit, maar bedenken vooraf hoe ze de taak zullen uitvoeren, bewaken het proces en evalueren na afloop. Zo ontwikkelen zij metacognitieve vaardigheden.

2. Problemen bij het leergebied Nederlands

In tegenstelling tot de leerlingen in het gewoon lager onderwijs hebben vele kinderen uit het BuO type 1 een algemene achterstand in de taalontwikkeling. Deze taalachterstand vergroot nog in vergelijking met andere kinderen naarmate ze ouder worden. Om een taalontwikkelingsniveau te bereiken dat bij andere kinderen schijnbaar spontaan bereikt wordt, hebben leerlingen uit het BuO type 1 speciale ondersteuning nodig.

2.1 Taal en cognitie

Kinderen met een normale taalontwikkeling verwerven het taalregelsysteem vanzelf. Een taalzwak kind zal moeten geholpen worden om de regels van het taalsysteem waar te nemen en te verwerken. Daarom dient het taalaanbod aansluitend bij het ontwikkelingsniveau van het kind systematisch en gestructureerd te zijn. Taal ontwikkelt zich vanuit een communicatief gebeuren. Ook de taalbeschouwing dient vanuit het taalgebruik aangebracht te worden. Door deze speciale ondersteuning zal de taal zich verder ontwikkelen.

Door de nauwe samenhang die er bestaat tussen de taalontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling dient er binnen het BuO type 1 voldoende aandacht besteed te worden aan de taalontwikkeling. Zelfs al zullen een aantal kinderen zwak blijven in hun expressief taalgebruik toch zal door het stimuleren van de taalontwikkeling hun innerlijke taal tot ontplooiing komen. Dit heeft een belangrijke impact op het denken.

2.2 Taal en communicatie

Communicatie is een belangrijke en fundamentele levensbehoefte en taal is een code waarvan mensen zich bedienen om hun communicatie vorm en inhoud te geven. Hoewel het leergebied taal hier gesplitst wordt in gebruik, vorm en inhoud staat de integratie van deze componenten voorop. Een persoon geeft een boodschap door met een bepaalde inhoud, in een bepaalde vorm en op een bepaalde manier, afhankelijk van zijn persoon en zijn situatie.

Communiceren is zo fundamenteel dat het als vanzelfsprekend beschouwd wordt. Toch zijn vele problemen te herleiden tot zuivere communicatieproblemen. De ontwikkeling van de verschillende deelvaardigheden bepaalt immers de kwaliteit van de communicatie. Leerlingen in het BuO type 1 moeten expliciet bewust gemaakt worden van de verschillende vaardigheden die ze nodig hebben bij het communiceren.

Goed taalonderwijs steunt op een basisaanpak, waarbij kinderen zinvolle, authentieke taaltaken aangeboden krijgen. Binnen deze taaltaken wordt gedifferentieerd. Voor kinderen met hardnekkige problemen volstaat deze basisaanpak en het differentiëren binnen de groep niet. Zij hebben aanvullend nood aan een remediërende aanpak. Zowel de differentiatie binnen de groep als de remediëring moet terug te vinden zijn in het handelingsplan.

3. Domeinen

Zoals voor het gewoon lager onderwijs zijn de ontwikkelingsdoelen voor taal geordend in de domeinen van taalvaardigheid: luisteren, spreken, lezen en schrijven. De ontwikkelingsdoelen in verband met de strategieën voor taalvaardigheid, de taalbeschouwing en de attitudes worden binnen deze vier domeinen geordend om een zinvolle selectie mogelijk te maken. Voor het buitengewoon onderwijs type 1 krijgen de domeinen luisteren en spreken meer aandacht dan lezen en schrijven, vermits het stimuleren van de taalontwikkeling hier uitvoerig aan bod komt. De domeinen lezen en schrijven zijn gericht op de maatschappelijke redzaamheid en de functionele bruikbaarheid voor het dagelijkse leven.

Er moet ook voldoende aandacht besteed worden aan de taalontwikkeling op zich, door het stimuleren en ontwikkelen van het receptief en productief taalgebruik. Receptief taalgebruik is het begrijpen van taal, productief taalgebruik het uiten van taal.

3.1 Taalgebruik

Het doel van het taalleren is een adequaat taalgebruik door middel van een ruim taalaanbod. Taalvorm en taalinhoud vervullen enkel een ondersteunende rol bij het ontwikkelen van dit adequaat taalgebruik. Taalgebruik betekent voor het receptieve aspect het begrijpen van verbale informatie en het begrijpen van het verband tussen verbale en non-verbale informatie, productief duidt het op het gebruiken van taal in een sociale context.
Hierbij kan het om taalgebruik in verschillende modaliteiten gaan, zowel gesproken als geschreven.
Net als bij de eindtermen van het gewoon onderwijs staat ook bij de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs het omgaan met taal of de taalvaardigheid centraal. De situatie en de taak die een kind in die situatie moet kunnen vervullen, zijn daarbij essentiële gegevens. Om beide gegevens te beschrijven, is gekozen voor teksttypes die van betekenis zijn voor de kinderen. Voorbeelden daarvan zijn: brieven, verhalen, uitnodigingen, toetsvragen en instructies.

De situaties moeten aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen. Het begrip tekst verwijst in dit verband dus naar elke mondelinge of schriftelijke boodschap die door de leerling verwerkt of geproduceerd moet worden. Bovendien moet men kunnen verwachten dat ze met de informatie in die tekst kunnen omgaan. Om de transparantie met het gewoon onderwijs zo duidelijk mogelijk weer te geven, zullen per domein bij het onderdeel taalgebruik de criteria met betrekking tot de moeilijkheid van teksten aangegeven worden. Dit zijn de criteria publiek en verwerkingsniveau.

Elke tekst is bedoeld voor een bepaald publiek, waarbij ervan uitgegaan wordt dat de moeilijkheid van teksten van dezelfde soort groter wordt naarmate diegene voor wie zij bedoeld zijn (publiek), verder van de leerling af staat.
Tekst bedoeld voor: - ik-persoon;

  • bekende leeftijdsgenoten;

  • onbekende leeftijdsgenoten;

  • bekende volwassenen;

  • onbekende volwassenen.

Het verwerkingsniveau is het niveau waarop talige inhouden verwerkt dienen te worden om de gestelde taaltaak goed uit te voeren. Er worden met groeiende moeilijkheidsgraad vier categorieën van verwerking onderscheiden:

  • kopiëren: vrij letterlijk weergeven van informatie;
  • beschrijven: de informatie zoals die in teksten is opgebouwd in grote lijnen achterhalen;
  • structureren: de informatie zoals die in teksten voorkomt op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen;
  • beoordelen: de informatie op persoonlijke wijze ordenen en die op basis van de eigen mening of informatie uit andere bronnen beoordelen.

3.2 Taalbeschouwing

Taalbeschouwing of metalinguïstiek leert kinderen nadenken over taal, over het eigen taalgebruik en dat van de anderen. Het leert kinderen alert zijn om in natuurlijke situaties over taal en taalgebruik te reflecteren.
Voor het domein taalbeschouwing werden de ontwikkelingsdoelen in elk taalvaardigheidsdomein geïntegreerd.

3.3 Attitudes

Naast taalvaardigheid en taalbeschouwing wil men ook houdingen of attitudes ontwikkelen. Voor een goed functioneren in de maatschappij hebben mensen bepaalde attitudes nodig. Enkele voorbeelden daarvan zijn: het bereid zijn naar anderen te luisteren, voor je eigen mening durven uitkomen, zin hebben in lezen. Deze houdingen komen geleidelijk tot ontwikkeling en worden door ieder persoon op een eigen wijze geconcretiseerd.
Ook voor de attitudes werden per domein ontwikkelingsdoelen geformuleerd.

3.4 Taalvorm

Een goed taalgebruik veronderstelt een voldoende basis voor taalinhoud en taalvorm. Dit is bij leerlingen in het buitengewoon onderwijs type 1 niet steeds voor de hand liggend. Een aantal inhouden en aspecten van taalvorm vragen meer explicitering. Enkel door hen expliciet inzicht te geven in de morfologische regels van de vervoeging, zullen ze geleidelijk aan deze regels leren toepassen en later ook integreren in hun communicatie.

Bij taalvorm onderscheidt men een fonologisch, morfologisch en syntactisch niveau.
Fonologie betekent voor wat betreft de receptie: de discriminatie van spraakklanken en voor de productie: de klankvorming en de klankinpassing in woorden.
Morfologie is receptief het begrip van vormveranderingen in woorden en productief de woordvorming met toepassing van vervoegingen en verbuigingen.
Onder syntaxis verstaat men receptief het begrip van woordvolgorde en productief de zinsopbouw.

3.5 Taalinhoud

Taalinhoud of semantiek is voor wat betreft de receptie het begrijpen en interpreteren van woorden, woordgroepen en zinnen. Productief gaat het hier over de woordvinding, benoemingsflexibiliteit en het hanteren van relaties tussen betekenissen. Taalinhoud bij lezen of leesbegrip kunnen we omschrijven als het achterhalen van de betekenis van schriftelijke informatie. De inzichten en vaardigheden die noodzakelijk zijn om informatie uit teksten effectief te kunnen opzoeken, verwerken en toepassen, zowel in schoolse als in buitenschoolse situaties dienen in het leesonderwijs prioriteit te krijgen. Gezien het verwerven van deze inzichten en vaardigheden niet vanzelfsprekend is, dient de verwerving voldoende ondersteund en begeleid te worden.
Begrijpend schrijven of schrijfbegrip kunnen we omschrijven als het neerschrijven van informatie die door de lezer kan achterhaald worden. Bij leerlingen in het BuO type 1 dient een nadrukkelijk accent gelegd op het functionele karakter van het lees- en schrijfbegrip.

Ontwikkelingsdoelen

 

1. Luisteren

 

Taalgebruik

 

Informatie achterhalen op het verwerkingsniveau beschrijven

1 De leerling begrijpt de functie van taal ondersteund door lichaamstaal, beeld of geluid.
2 De leerling begrijpt voor hem bestemde boodschappen.
 

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau structureren

3 De leerling begrijpt eenvoudige instructies, eventueel ondersteund door lichaamstaal.
4 De leerling begrijpt een verhaal.
5 De leerling onderscheidt oorzaak en gevolg in het verhaal.
6 De leerling begrijpt hoofd- en bijzaken in een verhaal.
7 De leerling begrijpt kritiek in gesprekken.
8 De leerling begrijpt argumenten in een discussie.
 

Taalbeschouwing

9 De leerling begrijpt het verschil tussen zender en ontvanger.
10 De leerling hanteert luisterstrategieën.
11 De leerling bemerkt verschillende betekenissen van woorden naargelang de context.
12 De leerling onderscheidt soorten zinnen.
13 De leerling hoort het verschil tussen dialect en Algemeen Nederlands.
 

Luisterattitudes

14 De leerling toont een adequate luisterbereidheid.
15 De leerling reageert gepast op wat hij hoort.
 

Taalvorm

16 De leerling kent de spraakklanken.
17 De leerling begrijpt de voornaamste morfologische aspecten van taal.
18 De leerling begrijpt de voornaamste syntactische aspecten van taal.
 

Taalinhoud

19 De leerling begrijpt woorden in situaties binnen zijn leefwereld.
20 De leerling begrijpt de betekenis van woorden die naar iets concreets verwijzen.
21 De leerling begrijpt de voornaamste begrippen.
22 De leerling begrijpt de voornaamste tijd- en ruimteaanduidingen.
23 De leerling begrijpt de voornaamste woordsoorten.
24 De leerling begrijpt tegenstellingen en synoniemen.
25 De leerling begrijpt enkelvoudige zinnen.
26 De leerling begrijpt gebiedende taal in zinnen.
27 De leerling begrijpt een negatie.
28 De leerling begrijpt eenvoudige vraagzinnen.
29 De leerling begrijpt samengestelde zinnen.
30 De leerling begrijpt woorden die relaties tussen woorden en zinnen betekenis geven.
 

2. Spreken

 

Taalgebruik

 

Doorgeven van informatie op het verwerkingsniveau beschrijven

31 De leerling gebruikt functioneel taal in alledaagse situaties.
 

Doorgeven van informatie op het verwerkingsniveau structureren

32 De leerling gebruikt taal om tot interactie te komen.
33 De leerling gebruikt taal die aansluit bij de leersituatie.
34 De leerling vertelt een verhaal na.
35 De leerling vertelt relevant over zichzelf.
36 De leerling vertelt een verhaal.
37 De leerling geeft instructie, zodat iemand die vertrouwd is met de situatie, ze kan uitvoeren.
38 De leerling verwoordt zijn mening.
 

Taalbeschouwing spreken

39 De leerling past zijn taal aan in functie van de context.
40 De leerling maakt gebruik van hulpmiddelen om zich te verduidelijken.
 

Spreekattitudes

41 De leerling heeft spreekdurf.
42 De leerling is bereid te reflecteren op eigen spreekgedrag.
43 De leerling toont respect voor de gesprekpartners.
 

Taalvorm

44 De leerling spreekt met correct mondgedrag.
45 De leerling spreekt goed verstaanbaar.
46 De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.
47 De leerling voegt woorden samen tot woordgroepen die een zinsdeel vormen.
48 De leerling voegt zinsdelen samen tot zinnen.
 

Taalinhoud

49 De leerling beschikt over voldoende actieve woordenschat waarvan hij actief gebruik maakt.
50 De leerling gebruikt voldoende woordsoorten.
51 De leerling gebruikt semantische relaties.
 

3. Lezen

 

Taalgebruik

 

Informatie achterhalen op het verwerkingsniveau beschrijven

52 De leerling begrijpt een geschreven tekst.
53 De leerling kan informatie achterhalen uit teksten, ze beoordelen en functioneel gebruiken.
 

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau structureren

54 De leerling vindt en herkent elementen en relaties in de tekst.
55 De leerling raadpleegt bronnen en haalt er informatie uit.
56 De leerling past gebruiksaanwijzingen en instructies toe.
 

Informatie ordenen op het verwerkingsniveau beoordelen.

57 De leerling beoordeelt een tekst.
 

Taalbeschouwing 

58 De leerling begrijpt de variatie in taalgebruik tussen zakelijke teksten, verhalende teksten en poëzie.
 

Leesattitudes

59 De leerling ontwikkelt een adequate leesattitude.
60 De leerling is bereid te reflecteren over zijn leesgedrag.
 

Taalvorm

61 De leerling identificeert pictogrammen en reageert adequaat.
62 De leerling herkent de grafemen.
63 De leerling begrijpt morfologische aspecten.
64 De leerling begrijpt de structuur van een zin.
 

Leesstrategieën

65 De leerling leest door analyse en synthese.
66 De leerling leest door herkenning van woorden of woorddelen.
67 De leerling leest vlot door directe woord- en woordgroepherkenning.
 

Leestechnische aspecten

68 De leerling leest met een goede leeshouding.
69 De leerling leest hardop.
 

Taalinhoud

70 De leerling maakt onderscheid tussen verschillende soorten zinnen.
71 De leerling maakt onderscheid tussen verschillende tekstsoorten.
72 De leerling legt relaties tussen zinnen in een tekst.
73 De leerling haalt de hoofdgedachte uit een tekst.
 

4. Schrijven

 

Taalgebruik

74 De leerling kopieert eenvoudige schriftelijke informatie.
75 De leerling schrijft zelf met een minimum aan schrijffouten.
76 De leerling gebruikt zijn creativiteit bij het schrijven.
77 De leerling gebruikt hulpmiddelen om correct te spellen.
 

Taalbeschouwing schrijven

78 De leerling past zijn taalkeuze aan met het oog op het publiek.
79 De leerling pakt een complexe schrijftaak stapsgewijze aan.
 

Schrijfattitudes

80 De leerling schrijft wanneer het van hem verlangd wordt.
81 De leerling schrijft om iets voor zichzelf te bekomen.
82 De leerling schrijft spontaan ter communicatie.
83 De leerling leest zijn tekst na en corrigeert indien nodig.
 

Taalvorm

84 De leerling maakt de juiste koppeling klank-grafeem en schrijft de grafemen correct.
85 De leerling maakt de juiste verbindingen tussen de grafemen.
86 De leerling gaat correct om met morfologische aspecten.
87 De leerling voegt woorden samen tot zinsdelen.
88 De leerling voegt zinsdelen samen tot zinnen.
 

Spellingstrategieën

89 De leerling hanteert gepaste spellingstrategieën bij het aanvankelijk spellen.
90 De leerling hanteert gepaste spellingsstrategieën bij het voortgezet spellen.
 

Schrijftechnische aspecten

91 De leerling heeft een goede schrijfhouding en schrijfbeweging.
92 De leerling schrijft leesbaar en verzorgd.
93 De leerling schrijft verschillende soorten teksten.
94 De leerling legt chronologie en structuur in zijn teksten.

 

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.