Buitengewoon lager onderwijs type 1 - Lichamelijke opvoeding

Uitgangspunten

1. Kerngedachten

Lichamelijke Opvoeding heeft twee belangrijke opdrachten. Ten eerste is het essentieel dat leerlingen bewegingsgebonden basiscompetenties verwerven die nodig zijn om in de maatschappij adequaat te kunnen functioneren. De tweede opdracht bestaat erin dat leerlingen moeten voorbereid worden om deel te nemen aan de bewegingscultuur en in die cultuur hun weg te vinden.

1.1 Concrete bewegingssituaties

Lichamelijke Opvoeding vertrekt vanuit concrete bewegingssituaties. Hierbij leren leerlingen op een efficiënte wijze handelen in relatie met de omgeving en met de medebewegers. Zo worden competenties opgebouwd die essentieel zijn om verschillende bewegingsproblemen op te lossen. Bovendien is het ook belangrijk om transfer van deze verworven competenties naar andere situaties na te streven. Om op een adequate manier te kunnen inspelen op de huidige tendensen in de maatschappij en om de totale persoonlijkheid van de leerling te ontwikkelen, wordt gekozen voor een meervoudige en veelzijdige bewegingsbekwaamheid. Een meervoudige bewegingsbekwaamheid beoogt dat leerlingen bewegingssituaties vanuit verscheidene invalshoeken kunnen benaderen. De verschillende invalshoeken vragen een andere ingesteldheid en een ander gebruik van motorische vaardigheden. Zo leren zij zich aanpassen aan een bepaalde bewegingscontext.
Met een veelzijdige bewegingsbekwaamheid wordt bedoeld dat bewegingssituaties moeten worden aangeboden die de basis leggen om te kunnen functioneren in de verschillende domeinen van het menselijk bewegen of van de bewegingscultuur. Op die manier kan iedereen later een eigen keuze maken om deel te nemen aan de bewegingscultuur.

1.2 Gezond en veilig bewegen

Lichamelijke Opvoeding is niet louter functietraining. Via bewegingssituaties ervaren leerlingen dat gezond en veilig bewegen belangrijk is en worden ze zich daarvan bewust. Bovendien ontdekken ze dat ze daartoe een verantwoordelijkheid hebben. Op die manier wordt in Lichamelijke Opvoeding een blijvende attitudevorming beoogd in plaats van een tijdelijk fysiek resultaat. Gezond en veilig bewegen en een gezonde en veilige levensstijl in het algemeen is niet beperkt tot het leergebied Lichamelijke Opvoeding. Het maakt deel uit van het globale schoolgebeuren. Hierbij wordt gezocht naar samenwerkingsmogelijkheden met de verschillende leergebieden.

Lichamelijke Opvoeding is gericht op ervaringsleren. De vrije natuur vormt een heel geschikt milieu om bewegingservaringen op te doen. De toenemende vrijetijdsoriëntering heeft opnieuw de aandacht gevestigd op natuurgebonden activiteiten. De natuur biedt immers veel mogelijkheden die de school niet mag verwaarlozen. Hierbij kan men ook van de gelegenheid gebruik maken om hun milieubewustzijn te ontwikkelen. Natuurgebonden activiteiten bieden dus goede mogelijkheden tot geïntegreerd werken.

Sport is een belangrijk cultureel en maatschappelijk gegeven dat inspirerend kan werken voor Lichamelijke Opvoeding en motiverend kan zijn voor de leerling. Lichamelijke Opvoeding moet een kritische selectie maken van wat uit de sport al dan niet kan gebruikt worden om de vooropgestelde doelen te bereiken. In het basisonderwijs dient sport als middel gezien te worden. Een aantal leerlingen uit het type 1-onderwijs hebben een weinig realistisch zelfbeeld waardoor ze op sportief vlak dingen aanpakken die te hoog gegrepen zijn. Die té hoge verwachtingen kunnen op hun beurt leiden tot mislukkingen. Het is dan ook belangrijk dat deze leerlingen leren omgaan met falen en verliezen. Daarnaast kan de lagere school leerlingen een idee geven over de mogelijkheden van verschillende sporten.

2. Problemen bij lichamelijke opvoeding

Motorische achterstanden en problemen komen in het type 1-onderwijs uiteraard vaker voor dan in het gewoon onderwijs. Dat betekent dat motorische remedial teaching belangrijk is in het type 1. Door hun gebrek aan bewegingsinzicht zal men bij deze leerlingen veel meer moeten werken met kleine tussenstappen en herhaling.
Tevens kan via het leergebied Lichamelijke Opvoeding ook aandacht besteed worden aan de cognitieve en sociaal-emotionele problemen van deze leerlingen. Het voordeel hiervan is dat bewegingssituaties vaak minder bedreigend zijn voor de leerlingen dan "leer"-vakken omdat het minder wordt geassocieerd met sanctionering en prestatiedruk. Bovendien zijn kinderen vaker gemotiveerd voor sport en spel. Tijdens deze lessen worden de leerlingen minder opvallend geconfronteerd met concrete cognitieve en sociale vraagstukken en problemen die ze op een bewegende manier moeten oplossen.

De algemene ontwikkelingsachterstand laat zich ook voelen op het gebied van de motorische ontwikkeling. Bovendien zorgen vooral de beperkte intellectuele en sociale vaardigheden voor moeilijkheden en belemmeringen in bewegingssituaties. Er zijn dus een aantal achterstanden of problemen die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de licht mentale handicap. Een aantal leerlingen met een licht mentale handicap heeft een erg ontregelde lichaamstonus waardoor de ontvankelijkheid voor prikkels uit de omgeving gestoord is. Verhoogde lichaamstonus geeft aanleiding tot tics en aandachtsproblemen, terwijl een té lage tonus tot bewegingsarmoede leidt. Omwille van de ontwikkelingsvertraging is er soms ook achterstand in de ontwikkeling van de motoriek en de basisfuncties. Dit blijkt uit de volgende (senso-)motorische problemen, die men kan vaststellen bij een aantal leerlingen met een licht mentale handicap.

  • Vertraging in het tot stand komen van het lichaamsschema, de ruimte- en tijdsbeleving.
  • Problemen met evenwichtsgevoel of balans.
  • Een vertraagde ontwikkeling van de grove en/of de fijne motoriek.
  • Een gebrekkige ontwikkeling van het richtingsbewustzijn, richtingsgevoel en benoemen van richting.
  • Minder adequate aanwending van kracht
  • Beperkte (meta)cognitieve mogelijkheden
  • Impulsiviteit
  • Inflexibiliteit
  • Perseveratie
  • Passiviteit

Hierbij komen ook de concentratie- en aandachtsproblemen, de dynamisch-affectieve problemen en de sociale problemen.

3. Domeinen

De ontwikkelingsdoelen Lichamelijk opvoeding in het type 1 onderwijs zijn geordend in drie domeinen:

3.1 Motorische competenties

Deze doelen hebben betrekking op het uitbouwen van de bewegingscapaciteiten van leerlingen. Er dient gewerkt te worden aan het ontwikkelen, uitbreiden, uitdiepen, remediëren en compenseren van basisvaardigheden tot het leren van specifieke vaardigheden binnen activiteiten die deel uitmaken van onze bewegingscultuur. Door de bewegingssituaties leert het kind op speelse wijze creatief denken en handelen, zelfstandig functioneren en actief praktische problemen oplossen.

3.2 Gezonde en veilige levensstijl

Via deze doelstellingen krijgen leerlingen de kans op school een fysieke basisconditie op te bouwen en te onderhouden. Door een actieve levensstijl te stimuleren, wordt bij sommige leerlingen het teveel aan energie gekanaliseerd en bij anderen wordt de passieve houding doorbroken.
Bovendien kan op een speelse manier geleerd worden om veilig te bewegen en zich verantwoordelijk te voelen voor de veiligheid van anderen. Dit is een heel belangrijk aspect bij leerlingen die vaak impulsief zijn in hun bewegen.

3.3 Zelfconcept en sociaal functioneren

Tijdens bewegingssituaties leert men zichzelf en de anderen kennen en accepteren. Hierbij kan het kind ontdekken dat zijn capaciteiten en beperkingen verschillen van die van anderen. In motorische taken leert men daarenboven samenwerken, elkaar helpen en steunen. Via beweging kan het zelfvertrouwen en het vertrouwen in de anderen terug hersteld worden. Door sport en spel wordt de assertiviteit ontwikkeld en vergroot. Leerlingen kunnen tevens leren omgaan met winst en vooral verlies in sport en spel.

In Lichamelijke Opvoeding worden op een geïntegreerde manier zowel psychomotorische, motorische, cognitieve, dynamisch-affectieve als sociale vaardigheden ontwikkeld. De lijst ontwikkelingsdoelen L.O. bestaat daarom niet louter uit doelstellingen waar alleen de leerkracht L.O. aan kan werken. Sommige doelen kunnen beter nagestreefd worden door de klasleerkracht of paramedicus. Voor andere doelstellingen is het aangewezen dat er zowel door de klasleerkracht, de leerkracht L.O., de leerkracht handvaardigheid als de paramedicus aandacht aan wordt besteed. In het type 1-onderwijs zijn deze mensen samen verantwoordelijk voor de selectie en de realisatie van de doelstellingen Lichamelijke Opvoeding. Dit vereist uiteraard regelmatig overleg, duidelijke afspraken en handelingplanning, samenwerking en gezamenlijke doelgerichtheid.

 

Ontwikkelingsdoelen

 

 

1. Motorische competenties

 

Fundamentele basiscompetenties

 

Lichaams- en bewegingsbeheersing

1 De leerling beweegt zich doorheen diverse ruimtelijke hindernissen.
2 De leerling behoudt het evenwicht in verplaatsingen en bij houdingen op diverse steunvlakken.
3 De leerling vangt het eigen lichaamsgewicht veilig op door middel van landen en vallen.
4 De leerling heft, draagt en verplaatst veilig, aan zijn mogelijkheden aangepast materiaal.
5 De leerling wendt de motorische basisbewegingen voldoende flexibel en beheerst aan in gevarieerde bewegingssituaties.
 

Lichaams- en bewegingsorganisatie

6 De leerling schakelt voor verschillende basisbewegingen de ledematen functioneel en gecoördineerd in.
7 De leerling combineert verschillende basisbewegingen.
 

Opbouw, grenzen en verhoudingen van het lichaam

8 De leerling toont in het bewegen dat hij spontaan rekening houdt met de opbouw, de grenzen en de verhoudingen van zijn lichaam.
9 De leerling ervaart en beseft dat de lichaamsopbouw en –organisatie dezelfde blijft ondanks houdings- en ruimtelijke veranderingen.
 

Lichaamsbesef en lateraliteit

10 De leerling is zich bewust van zijn eigen lichaam en de verschillende lichaamsdelen.
11 De leerling ervaart en is zich bewust van de beide lichaamshelften.
12 De leerling voert symmetrische en asymmetrische bewegingen uit.
13 De leerling kent zijn voorkeurhand en –voet en gebruikt deze ook efficiënt.
14 De leerling kent en gebruikt zijn voorkeurzijde om te wenden en te draaien rond de lengteas.
15 De leerling duidt bij zichzelf de linker- en de rechterkant aan.
16 De leerling draagt links en rechts over op een voorwerp of een andere persoon.
17 De leerling verwoordt welke bewegingen moeten worden uitgevoerd om een opdracht te volbrengen, zonder deze beweging effectief uit te voeren (bewegings- en houdingsvoorstelling).
 

Rustervaringen

18 De leerling creëert een sfeer van rust en stilte of is in staat om deze sfeer over te nemen.
19 De leerling heeft in rust controle over de ademhaling en de spieren.
20 De leerling benut rustervaringen om lichaamsgevoeligheid (proprioceptie) te bevorderen.
 

Ruimte- en tijdsfactoren

21 De leerling lokaliseert zichzelf, anderen of voorwerpen in de ruimte.
22 De leerling houdt tijdens het bewegen rekening met plaatsaanduidingen en ruimtelijke afbakeningen.
23 De leerling gaat tijdens het bewegen adequaat om met tijdsduur, richting en te overbruggen afstand.
24 De leerling houdt in bewegingssituaties rekening met tempo.
25 De leerling voert bewegingen uit op een opgelegd metrum of ritme.
26 De leerling houdt in bewegingssituaties rekening met verschillende ruimte- en/of tijdsfactoren tegelijkertijd.
27 De leerling stemt het eigen bewegen zowel af op de verplaatsingsrichting als op de bewegingssnelheid van personen of voorwerpen.
28 De leerling beweegt efficiënt onder tijdsdruk zowel bij grootmotorische als bij kleinmotorische activiteiten.
 

Grootmotorische vaardigheden en acties in gevarieerde situaties

 

Grootmotorische basisbewegingen

29 De leerling toont een toenemende bedrevenheid in basisbewegingen met betrekking tot de kind-eigen bewegingscultuur.
30 De leerling balanceert op de grond en op diverse soorten toestellen.
31 De leerling beheerst verschillende vormen van springen.
32 De leerling voert verschillende vormen van rollen uit.
33 De leerling voert aan een toestel draaibewegingen rond de breedte-as uit.
34 De leerling klimt op diverse klimtoestellen en daalt er veilig van af.
35 De leerling past zijn loopstijl en –tempo aan de afstand aan.
36 De leerling werpt en vangt verschillende voorwerpen op diverse manieren op.
37 De leerling kent mogelijke vormen van rollend en/of glijdend materiaal en kan er veilig mee omgaan en /of er zich veilig mee voortbewegen.
 

Bewegen in verschillende milieus

38 De leerling beweegt op een aangepaste manier in de vrije natuur.
39 De leerling voelt zich veilig in het water en zwemt in het water.
 

Kleinmotorische vaardigheden in gevarieerde situaties

40 De leerling bezit een correcte lichaamshouding, -tonus en differentiatie in de beweging van de bovenste ledematen.
41 De leerling toont een toenemende bedrevenheid in het functioneel aanwenden van kleinmotorische vaardigheden.
42 De leerling gebruikt de functionele grepen gedifferentieerd voor het hanteren van voorwerpen.
43 De leerling brengt onder tijdsdruk kleinmotorische taken tot een goed einde.
 

Zelfstandig en bewust functioneren in bewegingssituaties

 

Sensorische prikkels

44 De leerling concentreert zich op de relevante prikkel(s).
 

Handelend omgaan met betekenisinhouden van bewegingssituaties

45 De leerling toont een toenemend begrijpen, toepassen en verwoorden van betekenisinhouden in bewegingssituaties.
 

Bewegingsantwoorden

46 De leerling begrijpt eenvoudige bewegingssituaties en speltaken en kan er gepast op reageren.
 

Opeenvolgende handelingen

47 De leerling onderbreekt doelgericht een beweging en laat ze opvolgen door een andere beweging.
48 De leerling zoekt zelf een uitvoeringsvolgorde in een bepaalde opstelling van toestellen.
49 De leerling onthoudt een aantal bewegingspatronen of opeenvolgende handelingen en voert ze uit.
 

Oplossen van kind-aangepaste bewegingsproblemen

50 De leerling blijft geconcentreerd bezig met een bewegingstaak of –probleem.
51 De leerling zoekt naar een oplossing voor een bewegings- of spelprobleem.
52 De leerling past geleerde bewegingsprincipes toe in andere bewegingssituaties.
53 De leerling is bereid om over zijn aanpak voor, tijdens en na het oplossen van een bewegingsprobleem na te denken.
 

Spel en sportspel

54 De leerling beheerst fundamentele bewegingsvaardigheden die nodig zijn om een eenvoudig bewegings- of sportspel te kunnen spelen.
55 De leerling leeft zich in een spel in en kan hierbij verschillende rollen waarnemen.
56 De leerling past de afgesproken spelregels toe en aanvaardt sancties.
 

Beweging als expressie- en communicatiemiddel

57 De leerling wendt lichaamstaal aan als expressiemiddel.
58 De leerling gebruikt lichaamstaal als communicatiemiddel.
 

2. Gezonde en veilige levensstijl

 

Fitheid

59 De leerling ontwikkelt uithouding, kracht, lenigheid, snelheid en spierspanning om de motorische competenties te bereiken en te onderhouden.
60 De leerling heeft notie over eigen constitutie (houdings- en bewegingsbewustzijn) en ontwikkelt een correcte lichaamshouding.
61 De leerling herkent vermoeidheidsverschijnselen en beseft het belang van opwarming voor en tot rust komen na fysieke activiteiten.
62 De leerling kent de mogelijkheden om buiten de les Lichamelijke Opvoeding een voorkeursport te beoefenen.
 

Verantwoord en veilig bewegen

63 De leerling kent elementaire regels om zichzelf en anderen te beschermen en past ze ook toe.
64 De leerling beheerst zijn impulsiviteit in bewegingssituaties.
65 De leerling beweegt zich veilig in zijn leefomgeving.
66 De leerling herkent gevaarlijke situaties en reageert gepast.
 

3. Zelfconcept en sociaal functioneren

 

Zelfconcept

 

Positieve bewegingsgezindheid

67 De leerling leeft zich uit in spel en beweging.
68 De leerling toont belangstelling om diverse bewegingssituaties te verkennen.
69 De leerling is bereid zich in te zetten voor een bewegingsopdracht, de opdracht vol te houden en af te werken.
 

Positief en realistisch zelfbeeld

70 De leerling voelt zijn eigen mogelijkheden en begrenzingen aan.
71 De leerling heeft voldoende zelfvertrouwen en durf.
72 De leerling streeft ernaar zijn motorische en lichamelijke capaciteiten maximaal te ontplooien.
 

Zich motorisch en emotioneel op een aanvaardbare wijze uiten

73 De leerling durft de eigen bewegingsvormen en behendigheden op een sociaal aanvaardbare wijze tonen.
74 De leerling toont een persoonlijke stijl op een sociaal aanvaardbare wijze.
 

Sociaal functioneren

75 De leerling geeft anderen ruimte om te spelen zodat iedereen zinvol kan deelnemen aan spel.
76 De leerling neemt deel aan bewegingsactiviteiten in een geest van fair-play.
77 De leerling heeft respect en draagt zorg voor materiaal en kleding.
78 De leerling volgt binnen een eenvoudige spelvorm één tot twee spelregels op.
79 De leerling gaat spontaan over tot het maken van eenvoudige afspraken binnen het functioneren in subgroepjes.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes of een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Doelenselectie

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8 van 27.04.2003.